Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om te kunnen beoordeelen of het bewijs van het bestaan eener schuld reeds vóór het overlijden in rechten te leveren zou zijn geweest, zullen de aangevers hebben na te gaan of, ingeval van ontkentenis, dat bewijs, overeenkomstig de bepalingen van het privaatrecht, door een of meer der wettelijke bewijsmiddelen zou kunnen zijn geleverd. (Verg. de aanteek. na (ff) op bladz. 151 env.)

In de aangifte moeten de authentieke of onderhandsche geschriften of de andere bewijsmiddelen worden omschreven.

De wet vordert eene omschrijving van de bewijsmiddelen; onvoldoende is dus de verklaring, dat het bewijs der schuld kan worden geleverd door schriftelijk bewijs, getuigen, vermoedens of eed.

Ten aanzien van authentieke akten bepaalde het Bestuur in circ. 1186, dat moet opgegeven worden: de naam en standplaats van den ambtenaar, door wien zij werden opgemaakt en hare dagteekening.

Onderhandsche geschriften moeten zoodanig worden omschreven, dat zij van andere zoodanige stukken, voldoende zijn te onderkennen ; zoo zal men ten aanzien van gedagteekende akten kunnen volstaan met de vermelding van den aard en de dagteekening daarvan, benevens den naam van den onderteekenaar ; (voldoende doende is b. v. : blijkens onderhandsch schuldbewijs

dd° onderteekend door erflater, (circ. 1186,

P.W. 9442, 9874.)

Wanneer niet uitdrukkelijk is vermeld door wien de onderhandsche acte is onderteekend, doch uit de omschrijving blijkt, dat zij door den schuldenaar werd geteekend, doordat wordt verklaard, dat de acte voldoet aan alle daarvoor in art. 1915 B.W. gestelde eischen, is aan de wet voldaan (P.W. 9224.)

Is eenig stuk, waarvoor onderteekening wordt vereischt, met een kruisje gemerkt, dan kan het niet als

Sluiten