is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewijsmiddel worden vermeld, omdat een kruisje niet als handteekening kan worden beschouwd. (Verg. o. a. arresten H.R. 16 Mei 1846 P.W. 2/1846 no. 175 en 10 Maart 1885, P.W. 7298, zoomede P.W. 8567.)

Bij een beroep op bewijs door getuigen zullen de aangevers zich vooraf moeten afvragen of dit bewijsmiddel is toegelaten en of de personen, die zouden hebben moeten getuigen, daartoe bekwaam zouden zijn geweest; de namen dier getuigen zullen alsdan in de memorie moeten worden vermeld.

Beroepen de aangevers zich op vermoedens, dan moet het bewijs daardoor, naar art. 1959 B.W., zijn toegelaten, en zullen zij moeten voldoen aan de daar gestelde eischen. De vermoedens waarmede men het bewijs wil leveren moeten alsdan in de memorie worden omschreven.

Ingeval van bewijs door den beslissenden eed zullen de aangevers zich behoeven af te vragen of deze volgens art. 1967 env. B.W. had kunnen zijn opgedragen en of de overledene, of ingeval van terugwijzing de schuld eischer, dezen al dan niet had kunnen zweren. De op te dragen eed moet in de memorie worden omschreven.

Blijkt uit die omschrijving dat de overledene persoonlijk bekend was met de handeling, waaruit de aangegeven schuld voortspruit, ook al was die niet door hem zelf verricht, dan kan ook met de vermelding van dezen eed worden volstaan, daar volgens de schrijvers en rechtspraak de eed kan worden opgedragen omtrent elk feit, dat aan de partij persoonlijk bekend is.

In de aangifte der nalatenschap eener weduwe werd door het Bestuur der Registratie daarom voldoende geacht de verklaring, dat de overledene niet en ingeval van terugwijzing de schuldeischer wel zou hebben afgelegd den navolgenden eed : ,,Ik zweer, dat ik aan

wegens door mijn echtgenoot op den

van hem ter leen ontvangen geld niet verschuldigd ben de helft eener som van / (P.W. 9323.)