is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerpen van aangiften voor het recht van successie en van overgang bij overlijden met aanteekeningen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. W., op den schuldenaar kan worden verhaald. (P. W. 5469, 7969, 9591, 9779.)

Is de schuldenaar, voor wien de overledene borg was, een zijner erfgenamen, dan kan zijne verplichting echter niet verder in het passief worden gebracht, dan na aftrek van het gedeelte, dat door de schuldvermenging te niet ging.

Hetzelfde geldt ook wanneer de schuldeischer een der erfgenamen van den borg is. (P.W. 9120. 9779,)

Was de erflater zoogenaamde credietborg, dan heeft ook de toelating zijner daaruitvloeiende verplichting in de aangifte plaats, evenals bij gewone borgtocht, ook al blijkt niet, dat vóór het overlijden door den schuldenaar van het crediet gebruik is gemaakt. (P.W. 9778.)

Het Bestuur der registratie leert hetzelfde als bij borgtocht, voor het geval de overledene zich met een ander hoofdelijk voor eene alleen dezen betreffende schuld had verbonden (art. 1331 B. W.),omdat het ook dan vooreerst onzeker is, of door hem moet worden betaald. (P.W. 5635.)

Het bestuur der registratie nam omtrent de al of niet toelating van schulden tal van beslissingen, waarvan ik enkele der bij de Wilde in § 721 aangehaalde, laat volgen.

Onder de toelaatbare schulden worden door het Bestuur gebracht:

1°. de successie en overgangsrechten, door den overledene bij zijn overlijden nog verschuldigd wegens een door hem verkregen erfenis of legaat; (P.W. 4513. 4594, 5467, 6189.)

2°. de schulden wegens kost en inwoning, door erflater genoten (P.W. 7903); zoomede die wegens genoten onderstand, ten behoeve van eene instelling van weldadigheid, voorzoover deze daarvoor verhaal heeft volgens de artt. 52 en 58 der Armenwet van 28 Juni 1854 (Stbl. No. 100); (P.W. 6188, 8120.)