Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van nabestaanden en die van een grafzerk of gedenkteeken. (Verg. Diephuis VII, 656 ; Opzoomer IV, 549 ; Land II2, '294 ; Asser en van Heusde, (Scholten) II, 315 ; Vonnis A.R. Utrecht dd. 9 April 1902, W. 7762 en P.W. 7328.)

Volgens het Bestuur der registratie vallen er wel onder, de kosten van aankoop van een graf of, voorzoover dit voor meerdere lijken kan dienen, een evenredig gedeelte dier kosten, (res. dd. 25 Februari 1879, no. 31, W. N. R. 552.)

De wet begrijpt uitdrukkelijk onder de begrafeniskosten, de sommen besproken of uitgekeerd voor de uitvaart van den erflater en de te zijnen behoeve, te doene kerkelijke diensten of te vieren godsdienstige plechtigheden, sedert den dag van zijn afsterven tot en met het eerste jaargetijde na zijn overlijden, en zulks geëvenredigd aan den stand en het vermogen van den overledene, met inachtneming van het plaatselijk gebruik en de bijzondere omstandigheden.

Zoowel de sommen ter zake van bedoelde verrichtingen besproken of uitgekeerd volgens de beschikkingen van den overledene als naar den vrijen wil der erfgenamen, kunnen in het passief worden opgebracht.

Betreffen de sommen niet uitsluitend den overledene, dan kunnen zij slechts in aanmerking komen voor het gedeelte dat te zijnen behoeve is uitgegeven. (P.W. 3683, 5772.)

Onder de kosten voor de uitvaart, die plaats heeft eenige dagen na het overlijden, rekent het Bestuur der registratie ook die wegens uitdeeling van geld of brood aan de armen bij die gelegenheid, ingevolge een beschikking des erflaters. (P. W. 4235, 4497, 5636.). Heeft zoodanige uitdeeling eerst later plaats bv. een jaar na het overlijden dan betreft zij niet des erflaters uitvaart en kunnen de kosten niet worden afgetrokken. (P.W. 5636.)

Sluiten