Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het saldo der verkrijging van ieder erfgenaam mag de / 1000 niet overschrijden. Wordt door een afkomeling / 800 bij erfenis en ƒ 300 bij legaat verkregen dan behoort eene volledige memorie te worden ingediend.

Wordt aanvankelijk door hem minder dan / 1000 verkregen, doch wordt dit bedrag tengevolge van verwerping door medeërfgenamen of de vervulling eener voorwaarde overschreden, dan moet eene specifieke aangifte volgens art. 10 volgen.

Hetzelfde zal moeten gelden, wanneer bij nadere memorie blijkt dat hetgeen door hem werd verkregen, meer dan / 1000 bedroeg.

Ter berekening van het zuiver saldo moet zoowel rekening worden gehouden met hetgeen werkelijk is nagelaten als met dat wat door de wet geacht wordt tot erflaters nalatenschap te behooren, ingevolge art. 1 bis der wet van 1859 en de artt. 6 env. der wet van 1897.

Hoewel de memorie volgens art. 12 geene specifieke is, wordt zij toch door het Bestuur der registratie, voor de vrijstellingen van eed en recht, bedoeld bij art. '29 letter b en art. 56 nos 2, 3 en 5 der wet, daarmede gelijkgesteld, (circ. 1017.)

Daarom zal, wanneer uit de memorie blijkt, dat geen der bovenbedoelde erfgenamen, als zoodanig, meer dan / 1000 uit het actief verkrijgt, deze vrij van eed zijn, en zal wanneer aan geen hunner, uit dit zuiver saldo, meer dan / 1000 opkomt geen successierecht verschuldigd zijn.

Verkrijgt een afkomeling bij erfenis / 800 en bij legaat nog / 300 uit het actief, dan blijft de memorie vrij van eed, daar de vrijstelling afhankelijk is van de verkrijging als erfgenaam, (P.W. 6635, 7567) ; verkrijgt hij op dezelfde wijze gelijke bedragen uit een

Sluiten