Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tische vielen zij tegen en de belangstelling der oudtestamentische geleerden in de spijker-inscripties nam zichtbaar af.

Maar eensklaps — 't was in 1887 — vlamde de belangstelling weer op ten gevolge van de schitterende ontdekding te Tell-el-Amarna in Egypte, waar het archief van den egyptischen koning Amenophis IV werd opgegraven, dat plotseling een helder licht wierp over het Kanaiin van omstreeks 1400 v. C. Het land behoorde destijds aan Egypte en het opgegraven archief bevatte de correspondentie der farao's met hunne vazallen, ten deele kleine vorstjes, ten deele goeverneurs. De bekende steden Akko, Anvad, Askalon, Byblos, Gezer, Megiddo, Sidon, Tyrus bleken reeds te bestaan en herhaaldelijk is al sprake van Jeruzalem, waarover een zekere Abdikiba goeverneur is. En ziet: deze Abdikiba vermeldt in zijne brieven legerbenden, die hem veel last bezorgen, weshalve hij den farao om troepen vraagt. Die legerbenden heeten : Chabiri.

Over die Chabiri is veel te doen geweest. Dat waren — zoo meende men — de Hebreërs. En al miste men dan nog den uittocht der Israëlieten uit Egypte, men had dan toch hun intocht in Kanaiin. De meesten gelooven dat nog. Het is zelfs voor korten tijd weer beweerd door Ed. Meyer, die met behulp van een paar andere berichten meent het verloop der verovering van Palestina dooide Israëlieten volgens egyptische bronnen te kunnen schilderen. Die berichten zijn: vooreerst het bericht op de Mernepta-zuil, door Flinoers Petrie in 1896 te Thebe in Egypte ontdekt, dat behalve ettelijke landstreken en steden in Kanaiin ook het volk van Isir'r getuchtigd is. In dit Isir'r vindt men Israël terug, dat dan onder Mernepta — d. i. omstreeks 1230 v. C. — met volle duidelijkheid in Palestina zou voorkomen. Het andere bericht behelst de mededeeling, dat de egyptische koning Sethos I omstreeks 1320 v. C. krijg voerde tegen de Sasu, bedoe-

Sluiten