Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Jahwe voor een nieuwe wereld en dan komt het verhaal van den vloed: „de regen stroomde op de aarde veertig dagen en veertig nachten en de wateren stegen en zij hieven de ark op, zoodat zij boven de aarde zwom. Zoo verdelgde Jahwe al wat op de aarde leeft. Slechts Noach bleef over met alles, dat met hem in de ark was". Kan het soberder gezegd worden? Een modern schrijver zou ons zeker medegedeeld hebben, wat Noach bij dit alles dacht. Ook de Babyloniër bericht ons, dat Utnapistim bittere tranen vergoot. De Hebreër zwijgt. En dit zwijgen is ook elders eene eigenaardigheid van de hebreeuwsche sage. Wij hooren niets van de gevoelens, waarmede Adam en Eva het paradijs verlaten, niets van de gewaarwording, die zich van Abraham meester maakt, als hij het bevel ontvangt, dat hij zijn zoon moet ofleren, niets van hetgeen in Jozef is omgegaan, als hij door zijne broeders is verkocht. De verhalers weten, dat er gevallen zijn, waarin de schildering van den indruk, dien de gebeurtenissen maken, slechts het goede werk bederven kan, dat de verbeelding van den hoorder doet. Want dit zwijgen komt geenszins voort uit gebrekkige belangstelling in het zuiver menschelijke. Integendeel: dit is juist het meest karakteristieke in de hebreeuwsche sage, dat zij zich steeds bijzonder voor het gewoon menschelijke interesseert. De verhalers leven wel degelijk met hunne helden mee, al blijven zij — geboren kunstenaars, die zij zijn — ook dan uiterst sober. Maar wat doen zij met een enkelen toets! Welk een blijde verrassing klinkt uit dat: „En zie de duif bracht een frisch olijfblad meê". En welk een jubel stijgt op uit dat: „Toen nam Noach het dak van de ark weg en hij zag uit en ziedaar: de aardbodem was droog geworden". In dat „ziedaar' trilt al de gloed, waarmee de kinderen der natuur het leven liefhebben op Gods zonnige aarde.

Geheel in deze lijn ligt het, dat juist hetgeen in

Sluiten