Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat men zich op een Rgweda-vers beriep, dat die verbranding heette te onderstellen. Het Wedische ritueel verlangt ze echter niet8). Wel moet de vrouw zich naast het lijk nederleggen, maar men laat haar onder het uitspreken van ceremoniëele woorden, die haar daartoe opwekken, opstaan. Dit doet in de eerste plaats haar zwager, de jongere broeder van haar overleden man, die de plaats van echtgenoot bij haar zal gaan innemen, bij ontstentenis van dezen, een inwonend leerling van den overledene, zoo die er niet is, een oude knecht (jaraddasa). Wel mag deze de Wedaspreuk niet zelf over zijne lippen brengen, en wordt hij, wat dit betreft, vervangen door den officiëerenden brahmaan die de plechtigheid der lijkverbranding leidt, maar overigens wordt die Qüdra als naaste huisgenoot boven de verwanten gesteld. Die trek in dat oude ritueel teekent.

Dat het echter den Qudra verboden is het betreffende Wedavcrs zelf uit te spreken, ligt in de rede. Stel den <;ïidrastand gelijk aan de Romeinsche plebejers in dat grijs verleden van Rome's geschiedenis, toen de scheiding tusschen hen en de patriciërs nog in haar volle kracht bestond, dan is de uitsluiting van die lieden van de heilige formulieren, die met de godheden gemeenschap gaven, volkomen begrijpelijk. Alleen de standen der heeren waren van geboorte en van nature bevoegd om ze naar den eisch te hanteeren. Hun komt het toe de dagelijksche en andere offers te brengen, niet aldus den Qüdra. Eene soortgelijke klove

s) Te recht leidt Oldenberg, Die lieligion des Veda, p. 587, uit de betreffende plaats (Rgw. 10,18,8) af, dat die verbranding van de weduwe uit zeer ouden tijd stamt, al wordt zij in het daar beschreven ritueel niet erkend. Zoo ook Macdonell in zijne Sanskrit Literature.

Sluiten