Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetenschap te bestudeercn en de tot nu toe ontdekte wetten aan de bron te scheppen. Integendeel, het geschiedkundig onderzoek zou waarschijnlijk voor de oplossing van een bepaald natuurkundig vraagstuk slechts hinderlijk zijn, daar de geconcentreerde kracht noodzakelijk meer tot stand brengt, dan de verdeelde. In dezen zin reken ik mij het gebrek aan ander soort kennis ten goede, omdat ik juist daardoor aan de kennis van mijn bepaald objekt des te zekerder ben gewijd. Dit objekt te onderzoeken en alles te leeren, wat er in mijn tijd van bekend is, heb ik mij ernstig toegelegd. De geschiedenis der filosofie heeft zich in zoover in mijn individualiteit herhaald, als ik met de behoefte naar eene kompakte, systematische wereldbeschouwing sedert mijn vroege jeugd te spekuleeren uitging, en ten slotte de bevrediging in de induktieve kennis van het menschelijk denkvermogen gevonden vermeen.

En het is niet het denkvermogen in zijn menigvuldige verschijning, het zijn niet de verschillende manieren daarvan, maar zijn algemeenste vorm, zijn algemeen wezen, dat mij bevredigde en wat bloot te leggen mijn doel is. Mijn objekt is derhalve zoo eenvoudig en speciaal mogelijk, zoo absoluut eenvoudig, dat mij zijn menigvuldige blootlegging moeilijk en veelvuldige herhalingen bijna onvermijdelijk werden. Te gelijker tijd is de vraag naar het wezen van den geest een populair onderwerp, dat niet slechts door filosofen van het vak, maar door de wetenschap in het algemeen is ontgonnen. Derhalve moet ook, wat tot de kennis van dat onderwerp de geschiedenis der wetenschap heeft bijgedragen, in de wetenschappelijke beschouwing van den tegenwoordigen tijd algemeen levend zijn. Aan deze bron mocht ik genoeg hebben.

Zoo mag ik dus trots mijn auteurschap bekennen, geen professor der filosofie, maar van professie een handwerker te zijn. Aan degenen die mij daarom de oude waarschuwing mochten toeroepen: „schoenmaker, blijf bij je leest!" antwoord ik met Karl Marx: „Ulieder nee plus ultra van handwerkmatige wijsheid werd tot een vreeselijke dwaasheid van het oogenblik af, dat de horlogemaker Watt de stoommachine, de barbier Arkwright den kettingstoel, de juwelier-arbeider Fulton de stoomboot heeft uitgevonden." Zonder mij tot deze grooten te willen rekenen, mag toch hun voorgaan mij tot naijvering dienen. Bovendien is ook de natuur van mijn onderwerp nog in het bijzonder op de klasse aangewezen, waartoe te behooren ik, zoo al niet de eer, dan toch het genoegen heb.

Ik ontwikkel in dit geschrift het denkvermogen als orgaan van het algemeene. De lijdende, de vierde, de arbeiders-stand is in zoover

Sluiten