Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klaard de zich tegensprekende naam, volgens welken het eenerzijds het orgaan van het algemeene, generalisatie- of eenheidsvermogen en anderzijds en met evenveel recht, onderscheidingsvermogen genoemd wordt. Het bewustzijn generaliseert het verscheidene, onderscheidt het algemeene. De natuur van het bewustzijn is de tegenstrijdigheid, en zoo vol tegenstrijdigheid is deze natuur, dat zij gelijktijdig de natuur van de bemiddeling, van de verklaring, van het begrip is. Het bewustzijn generaliseert de tegenstrijdigheid. Het erkent, dat de geheele natuur, het gezamenlijke zijn in tegenstrijdigheid leeft, dat alles, wat is, dat, wat het is, slechts door medewerking van iets anders, van een tegenstelling is. Evenals het zichtbare zonder gezicht niet zichtbaar en omgekeerd het gezicht niet ziet zonder iets zichtbaars, zoo moet de tegenstrijdigheid als een algemeen iets gekend worden, die denken en zijn beheerscht. De wetenschap van het denkvermogen lost, door generalisatie van de tegenstrijdigheid, alle bijzondere tegenstrijdigheden op.

III.

Het wezen der dingen.

In zoover het kenvermogen een fysiek objekt is, is de kennis er van een fysieke wetenschap. Maar in zoover wij door middel van dit vermogen alle dingen kennen, wordt de wetenschap er van tot metafysica. Wanneer de wetenschappelijke analyse der rede de gewone beschouwing van haar wezen omkeert, dan volgt uit deze speciale kennis noodzakelijk een algemeene omkeer van onze geheele wereldbeschouwing. Met de kennis van het wezen der rede wordt de zoo lang gezochte kennis van „het wezen der dingen" gegeven.

Alles, wat men weten, verstaan, begrijpen, kennen kan, willen wij niet volgens de verschijning, maar volgens het wezen begrijpen. De wetenschap zoekt achter dat wat schijnbaar, dat wat waarachtig is, het wezen der dingen. Ieder bijzonder ding heeft zijn bijzonder wezen, dat echter niet voor het oog, niet voor het oor, niet voor de hand, maar slechts voor het denkvermogen verschijnt. Het denkvermogen vorscht naar het wezen aller dingen, evenals het oog naar alle zichtbaarheid. Evenals nu het zichtbare in het algemeen in de theorie van het gezicht, zoo is het wezen der dingen in het algemeen in de theorie van het denkvermogen te vinden.

Wanneer hier gezegd wordt, dat het wezen van een zaak niet voor het oog enz., maar voor het denkvermogen verschijnt, dan klinkt het weliswaar als tegenstrijdig, dat het tegenovergestelde van het verschijnsel, het wezen, verschijnt. Maar in denzelfden zin als wij in het

Sluiten