is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelf" gevormd heeft. Omdat de wetenschap misschien nog niet dit begrip kon analyseeren, zegt de professor, dat wij het voorwerp van het warmtebegrip niet kunnen waarnemen. De som van haar verschillende werkingen, dat is de warmte zelf, de warmte geheel en al. Het denkvermogen neemt deze verscheidenheid in het begrip als eenheid op. De analyse van het begrip, de ontdekking van het gemeenschappelijke of algemeene van de meest verschillende als warm genoemde verschijnselen of werkingen is de zaak der induktieve wetenschap. De van haar werkingen gescheiden warmte evenwel is een spekulatief ding, evenals het mes van Lichtenberg zonder heft en lemmer.

Het denkvermogen in kontakt met de verschijnselen-van -de. zinnelijkheid produceert de wezens der dingen. Het produceert ze evenwel evenmin alleen, ongerechtvaardigd of subjectief, als het oog, oor of een ander zintuig, hunne indrukken zonder objekt kunnen produceeren. Wij zien en voelen niet de dingen „zelf", maar slechts hunne werkingen op onze oogen, handen enz. De geschiktheid der hersenen om uit verschillende gezichtsindrukken het gemeenschappelijke te abstraheeren, doet ons het zien in het algemeen van de bijzondere gezichten onderscheiden. Het denkvermogen onderscheidt een enkel gezicht als voorwerp van het gezicht in het algemeen, het maakt dan ook nog verder onderscheid tusschen subjektieve en objektieve gezichtsverschijnselen, d. w. z. verschijnselen, die niet slechts voor het enkele, die voor het oog in het algemeen zichtbaar zijn. Ook de visioenen van een geestenziener, of de subjektieve indrukken, schietende bliksems, lichtende kringen, die een hevig bewogen bloed het gesloten oog zien laat, zijn voor het kritische bewustzijn objekt. Het mijlen verre, in het heldere daglicht schitterende voorwerp is kwalitatief niet meer en niet minder uiterlijk, niet meer en niet minder waar, dan het een of andere optische schijnbeeld. Ook degeen. dje zijn oor hoort ruischen, heeft, zoo al niet het klingelen van een scliel, tocTTaTtijd „iets'' gehoord. Igdere zinnelijke verschijning is objekt _eii ieder objekt een zinnelijke versciujjling. Een subjektief objekt is een ephemeer verschijnsel eri iedere objektieve verschijning toch slechts een vergankelijk subjekt. Het objektieve voorwerp kan uiterlijker, verderaf, stabieler, algemeener bestaan, maar een wezen, een „ding op zich zelf", is het niet. Het kan niet slechts voor mijn oogen, het kan ook voor andere oogen verschijnen, niet slechts voor het gezicht, ook voor het gevoel, voor het gehoor, voor den smaak enz., het kan niet slechts voor den mensch, ook voor andere objekten verschijnen, — maar toch verschijnt het slechts. Zooals het hier is, is het daar niet, als vandaag is het morgen niet. Ieder bestaan is relatief, staat in verhouding tot iets_