is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart is, toch wordt het denkende verstand ontelbare gelijkheden tusschen beide gewaar. Zij stemmen tenminste in hunne zakelijke materieele natuur overeen, zij zijn beide zwaar, zichtbaar, tastbaar, enz. Even zoo groot als hun verscheidenheid is, is hun eenheid. Even zoo waar als Salomo zegt: ,,er is niets nieuws onder de zon , zegt Schiller: „de wereld wordt oud en wordt weer jong." Welk abstrakt ding, wezen, zijn, welke algemeenheid is niet in zinnelijke existentie menigvuldig, individueel, aan al het andere ongelijk. Er zijn toch geen twee droppels water aan elkaar gelijk! Ik ben op het oogenblik in het geheel niet meer dezelfde, als die ik een uur geleden was. en de gelijkenis tusschen mij en mijn broeder is slechts kwantitatief, slechts volgens den graad grooter, dan de gelijkheid of gelijkenis tusschen een horloge en een oester. Kortom^ jiet^ denkvermogen is absoluut soort-vermogen, het brengt onbeperkt iedere menigvuldigheid onder ten hoed; omvat,- begrijpt zonder "^uitzondering alles bij elkaar, terwijl de zinnelijkheid absoluut alles ~aïT~vè?schitTend, nieuw, individueel doet verschijnen.

^Wanneer wij deze metafysika op ons thema, op het kenvermogen toepassen, dan behooren zijn funkties, evenals alle andere dingen, tot de zinnelijke verschijnselen, die op zich zelf allen even waar zijn. Aan alle uitingen van den geest, aan alle gedachten, meeningen, dwalingen, enz. ligt een zekere waarheid ten gronde, alle bezitten een waarachtige kern. Even zoo noodzakelijk als de schilder al de vormen van zijn schepping aan de zinnelijkheid ontleent, even zoo noodzakelijk zijn alle gedachten beelden van ware dingen, theorieën van ware objekten. In zoover kennis kennis is, begrijpt men van zelf, dat door iedere kennis iets gekend wordt. In zoover weten weten is, is het van zelf sprekend, dat door ieder weten iets geweten wordt. Dit berust op de stelling der identiteit, a = a, of ook op de stelling van de tegenspraak,

100 is niet 1000.

Alle kennis bestaat uit gedachten. Men kan betwisten, dat omgekeerd alle gedachten kennis zijn. Men kan kennen als een bijzondei e manier van denken definieeren, als waar, objektief denken, in onderscheiding van meenen, gelooven of fantaseeren. Het is evenwel niet te ontkennen, dat alle gedachten, niettegenstaande hunne oneindige verscheidenheid, toch ook een gemeenschappelijke natuiii hebben. Het gaat met het denken voor het forum van het denkvermogen als met al het andere, het wordt geüniformeerd. Hoe verschillend mijn denken van gisteren ook van mijn denken van vandaag is, hoe verschillend ook de gedachten van verschillende menschen en tijden, hoe scherp wij ook tusschen idee, begrip, oordeel, besluit, voorstelling, enz. onderscheiden : in zoover het