is toegevoegd aan uw favorieten.

Het wezen van den menschelijken hoofdarbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anthropomorfisch (naar den mensch gevormd) begrip. In den toestand van onervarenheid meet de mensch het objektieve met een subjektieven maatstaf, beoordeelt de wereld naar zichzelf. Evenals hij dingen met voordacht schept, zoo brengt hij zijn menschelijke manier op de natuur over, denkt zich van de verschijnselen der zinnelijkheid een even uiterlijke, scheppende oorzaak, als hij zelf de afzonderlijke oorzaak van zijn eigen scheppingen is. Deze subjektieve manier is er de schuld van, dat men zoo lang tevergeefs naar objektieve kennis gestreefd heeft. De onwetenschappelijke oorzaak is een spekulatie, een wetenschap a priori.

Wil men de subjektieve kennis den naam kennis laten behouden, dan onderscheidt zich van haar de objektieve wetenschappelijke kennis daardoor, dat zij haar oorzaken niet door gelooven of spekulatie, maar door ondervinding, door induktie, niet a priori, maar a posteriori gewaar wordt. De natuurwetenschap zoekt haar oorzaken niet buiten of achter de verschijnselen, maar in en door middel van dezelven. Het moderne onderzoek zoekt in zijn oorzaken geen uiterlijken schepper, maar het immanente systeem, de methode oj algemeene manier van de in tijdsverloop opeenvolgende gegeven verschijnselen. De onwetenschappelijke oorzaak is een „ding op zichzelf," een kleine onze lieve Heer, die de werkingen zelfstandig voortbrengt en zich er achter verstopt. Het wetenschappelijke begrip van de oorzaak daarentegen wil slechts de theorie van de werkingen, het algemeene van de verschijning. Een oorzaak onderzoeken is nu, de betreffende verschijnselen generaliseeren, de veelvuldigheid van de empirie in een wetenschappelijken regel samenpakken. „Hierdoor wordt de kennis van de natuur tot op het kleinste aantal van feiten teruggebracht."

Evenals het een of andere kleine, vrouwelijke bijgeloof zich van het historische bijgeloof van een geheele eeuw onderscheidt, zoo onderscheidt zich niet meer en niet minder het dagelijkschste, huisbakkenste, platste weten van de hoogste, zeldzaamste, nieuwst ontdekte wetenschap. Wij mogen daarom —> terloops gezegd — ook onze voorbeelden uit den dagelijkschen kring nemen, in plaats van ze in de zoogenaamde hoogere sfeer van een verwijderde wetenschap te zoeken. Het gewone menschenverstand had reeds lang de induktieve natuurwetenschappelijke oorzaken gepraktiseerd, voordat nog de wetenschap tot de ontdekking gekomen was, dat zij haar hoogere doeleinden op dezelfde manier moest vervolgen. Slechts dan, wanneer het gewone menschenverstand zich boven het veld van zijn naaste omgeving verheffen wil, komt het, nét als de natuuronderzoeker, tot het geloof aan de geheimzinnige oorzaak van het spekulatieve verstand.

Om op den bodem van het reëele weten stevig te staan, hebben wij de