Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den hoofdarbeid, in de ontwikkeling van het algemeene uit het bijzondere. Het onderscheid tusschen kracht en stof wordt opgenomen onder het algemeene onderscheid van het konkrete en abstrakte. De waarde aan deze onderscheiding ontzeggen, is dus de waarde van de onderscheiding, van het intellekt in het algemeen ontkennen.

Noemen wij de zinnelijke verschijnselen krachten van de algemeene stof dan is deze enkelvoudige stof niets meer dan de abstrakte algemeenheid. Verstaan wij onder de zinnelijkheid de verschillende stoffen, dan is het algemeene, dat de verscheidenheid omvat, beheerscht of doortrekt, de het bijzondere veroorzakende kracht. Of men

het kracht of stof noemt, het onzinnelijke, dat, wat de wetenschap niet met de handen, maar met het hoofd zoekt, het wezenlijke, oorzakelijke, ideale, hoogere geestelijke is het algemeene, dat het bijzondere omvat.

V.

„Praktisch Verstand" of Moraal-

a. Het wijze, verstandige.

De begrepen methode van het weten, het begrip van den geest is bestemd, de problemen van den godsdienst en de filosofie alle op te lossen, de groote of algemeene onverklaarbaarheden grondig te verklaren en daarmee het onderzoek aan zijn beroep, aan de kennis der empirische détailverhoudingen geheel en onverdeeld terug te -even. Wanneer wij als wet van het verstand begrijpen, dat het tot" zijn werkzaamheid zinnelijk materiaal vooronderstelt, een oorzaak noodig heeft, dan wordt hiermee de vraag naar de eerste of algemeene oorzaak overbodig. Het menschel.* verstand wordt dan als eerste en laatste, als eindelijke oorzaak van alle bijzondere oorzaken erkend. Wanneer wij als wet begrijpen, dat het verstand tot zijn werkzaamheid noodzakelijk iets gegevens, een begin noodig heeft, waarmee het begint, dan moet de vraag naar het eerste begin geesteloos worden. Wanneer wij begrijpen, dat het verstand abstrakte eenheden uit konkrete menigvuldigheden ontwikkelt, dat het de waarheid uit verschijnselen, de substantie uit accident.es samenstelt, alles slechts als deel van een geheel, als individu van een soort, als eigenschap van een zaak gewaar wordt, dan moet wel de vraag naar het ,ding op zich zelf, naar iets reëels, dat zelfstandig aan de verschijningen ten gronde ligt, een onverkwikkelijke vraag worden. Kortom, het begrip van de onzelfstandigheid van het verstand doet ons de begeerte naar

zelfstandige kennis als onverstandig kennen.

Wanneer nu ook naar de hoofdaangelegenheden der metafysica, de oorzaak van alle oorzaken, den aanvang van alle aanvangen, het

Sluiten