Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezellig leven te waardeeren, daardoor het genoemde recht als onrechtvaardige beperking van zijn vrijheid voelt. Voor de liefde tot het leven is de moord een schandelijke gruwel, voor de wraak een kostelijke lafenis. Zoo is de roof den roover recht en den beroofde onrecht. Van een onrecht in het algemeen kan daarbij slechts in een relatieven zin sprake zijn. De handeling is slechts in zoover algemeen onrechtvaardig, als zij algemeen ongeliefd is. Zij is voor de groote meerderheid onrecht, omdat onze generatie meer belang bij den burgerlijke handel en wandel heeft dan bij de

avonturen van den grooten weg.

Wanneer een wet, een leer, een handeling absoluut recht, recht in het algemeen zou willen zijn, dan moest zij aan het heil van alle menschen, onder alle omstandigheden, in alle tijden beantwoorden. Dit heil is evenwel zoo verschillend als de menschen, hun omstandigheden en de tijd. Wat mij goed is, is voor een ander slecht,

wat in den regel wel doet, doet bij uitzondering kwaad ; wat voor een tijd baat, belemmert een anderen. De wet, die aanspraak zou willen maken, recht in het algemeen te zijn, zou nooit en niemand mogen tegenspreken. Geen moraal, geen plicht, geen kategorisc e imperatief, geen idee van het goede kan den mensch leeren wat "oed, wat kwaad, wat recht, wat onrecht is. Goed is, wat aan onze behoefte beantwoordt, slecht wat er aan tegenstrijdig is. Maar wat is wel goed in het algemeen? Alles en niets! Niet het rechte hout is croed, niet het kromme. Geen is goed. en ieder is goed — daar waar ik het noodig heb. En wij hebben alles noodig, kunnen van ieder ding een goeden kant verkrijgen. Wij zijn niet beperkt tot dit of dat. Wij zijn onbeperkt, universeel, alles noodig hebbend. Daarom zijn onze belangen ontelbaar, niet op te noemen, daarom is iedere wet ontoereikend, omdat zij altijd slechts een bijzonder heil, een enkel belang in den zin heeft, daarom is geen recht recht, of ook ieder recht:

gij zult dooden en gij zult niet dooden.

Het onderscheid tusschen kwade en goede, rechtvaardige en slechte behoeften vindt, als waarheid en dwaling, als verstand en onverstand, zijn oplossing in het onderscheid tusschen het bijzondere en algemeene. De rede kan uit zich zelf zoo min positieve rechten, absoluut moreete grondstellingen ontdekken als een of andere andere spekulatieve waarheid. Eerst dan wanneer men haar zinnelijk materiaal gegeven heeft, zal zij volgens het aantal het algemeene en bijzondere, volgens den graad het wezenlijke en onwezenlijke kunnen meten. De kennis van het rechte of moreele wil, evenals de kennis in het algemeen, het algemeene. Maar het algemeene is slechts mogelijk binnen bepaalde grenzen, als het algemeene van een bijzonder, gegeven,

Sluiten