Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan die gewrochten en kunstwerken, die kenmerkend zijn voor elk volk in het bijzonder. De elassieke philologie bestudeert de gedachten der ouden in hunne letterkundige werken, de antieke kunstgeschiedenis of archaeologie doet ons hunnen geestesaanleg kennen in de werken der beeldende kunsten. Beide hebben tot onderwerp die edele voortbrengselen van den scheppenden inenschelijken geest, welke niet uitsluitend uit den drang der omstandigheden van het oogenblik geboren, maar als de vrucht van een door eeuwenoude vorming verworven eigenaardig genie te beschouwen zijn. Beide stellen zich niet geschiedenis zonder meer, maar beschavingsgeschiedenis ten doel. Eén in wezen, zijn zij, ik herhaal het nog eens, slechts door den aard liarer objecten gescheiden, waarvoor echter bij hare wederzijdsche beoefenaars het bezit van zeer uiteenloopende kundigheden en talenten vereisclit wordt.

De philoloog moet de taal kennen. Daar de taal het voertuig der gedachte is, is de taalkennis met de kennis der letterkunde en der beschaving onafscheidelijk verbonden. Zij is de voornaamste sleutel tot de kennis van den geest der volken. Een goed hellenist is van zelf op den besten weg om een goed kenner der gansehe grieksche oudheid te worden. De studie der taal en de studie der letterkunde vloeien ineen. Alleen daar moet de taalwetenschap met betrekking tot de philologie als eene bloote hulpwetenschap worden aangemerkt, waar zij, in stede van zich met de door de taal uitgedrukte gedachte bezig te houden, hare aandacht louter aan woordvormen en woordafleiding schenkt.

De beoefenaar der kunstgeschiedenis moet in het bezit zijn van aesthetische en daarbij tot op eene voldoende hoogte ook van technische kennis. Om de werken der beeldende

Sluiten