Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedocumenteerd door het volgende voorbeeld: Toen in 1759 door de apothekers een verzoekschrift1) aan den Raad der stad Utrecht werd gezonden, ten einde voor hunne leerlingen in de artsenijbereidkunst de vergunning te verkrijgen om van April tot September twee maal in de week, te worden toegelaten tot den stadstuin „ten einde zich te kunnen oefenen en de usalia te leeren kennen," werd dit verzoek door de overheid geweigerd.

Deze gebrekkige opleiding weerspiegelde zich ook in de examens van dien tijd.

Aanvankelijk werden deze in iedere stad afzonderlijk, ter beteugeling van de vrije vestiging, door eenige van de oudste apothekers afgenomen ten huize van den oudsten Deken van het gilde en altijd in het bijzijn van de onvermijdelijke stadsdoctoren; maar tot dit examen werd alleen toegelaten hij,2) die een certificaat kon overleggen van de geneesheeren en van de Dekens dat hij „als winckelknecht" een meester drie jaar achtereen trouw had gediend „ende der doctoren recepten ende ordonnantiën lezen ende verstaan kon."

Dit examen omvatte voorts de kennis van de Latijnsche taal voor zooverre die noodig was voor het lezen en verstaan van het „dispensatorium," het officieele voorschriftenboek en voor het ontcijferen van de recepten der geneesheeren.

Het tweede gewichtige punt betrof de kennis van de „simple en gecomponeerde medicijnen" waarbij de enkelvoudige (simplicia), zijnde grootendeels plantaardige natuurproducten, zoowel ter herkenning werden voorgelegd in den verschen als in den gedroogden staat. Als nood-

W. Stoeder, Geschiedenis der Pharmacie in Nederland, bl. 236.

V h 1» v ti m tr Hl-

Sluiten