Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land als geneesheer heeft gevestigd en de tweede, aan de Utrechtsche, van onzen G. J. Mulder, die op aandrang van zijn leermeester De Fremery, na afloop van zijn studie in de medicijnen, dezen titel verwierf. Het werpt geen voordeelig licht op den toestand van hetpharmaceutisch onderwijs aan de Hoogescholen van die dagen (1824), wanneer men de beschrijving leest1) van de wijze waarop het examen, dat aan deze zeldzaam voorkomende promotie moest voorafgaan, bij die gelegenheid werd afgenomen en afgelegd, wat wel het best getypeerd wordt door het feit dat Mulder bij den uitslag zelf het woord nam en verzekerde : „Mijne heeren, na zulk een examen moogt gij geen graad geven en ik geen graad aannemen; zoo gij het voornemen daartoe hebt, dank ik U." Waarop, na een discussie van een half uur tusschen examinatoren en examinandus, Mulder eindelijk bezweek voor het argument „dat de Faculteit nu eenmaal dien graad aan hem had toegekend en dat, om het even of hij die aannam of niet, het Faculteits-besluit, buiten hem om, de zaak had afgedaan." Zóó is Mulder, ondanks zichzelven, Artis pharmaceuticae Doctor geworden. Toen hij, 17 jaren later het ambt van Hoogleeraar aan de Utrechtsche Universiteit aanvaardde werd hij door den Senaat van de Academie te Groningen gepromoveerd tot Doctor in de Wis- en Natuurkunde, weder zonder zijn eigen toedoen, maar nu „honoris causa."

Voor het overbrengen van de opleiding der pharmaceuten van de Klinische Scholen naar de Academie is

*) Levensschets van Q. J. Mulder, le deel, bl. 111—112.

Sluiten