Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„iedere partij, voldoende drijfveer is, om aan het gerecht voor te „leggen, al hetgeen te hare gunste spreekt, en dat zij zich beijveren „zal, om hare beweringen, die bewijs behoeven, door opgave der „bewijsmiddelen, te staven." (1)

Geen enkele dezer gronden komt mij afdoende voor.

De eerste niet, omdat, daardoor, twee zaken worden verward, die zorgvuldig uiteengehouden moeten worden. Nemen wij — longum iter est per praecepta, breve et efficax per exempla — een voorbeeld. Iemand is aan mij 1000 schuldig. Ontegenzeggelijk, kan ik, met zijne schuldbekentenis, doen, wat ik wil: haar laten liggen, doen verjaren, wegschenken, kwijtschelden enz. Ik besluit tot dagvaarding van den tot betaling onwillige. Beteekent dit, dat ik het gezag inroep van een ambtenaar, dien de Staat heeft aangesteld om, op een gegeven oogenblik, als mijn werktuig, op te treden, onder nadrukkelijke aanbeveling van, stel ik hem niet in beweging, zich rustig te houden? Fraaie opvatting van het rechterlijk bevel!

Dit immers weten wij: een uiterlijk gewijsde moet gehoorzaamd, al kwam er ook Neerlands' leger en Neerlands vloot bij te pas. Lijkt het aannemelijk, dat, een burger, die in zijn recht zich verkort acht, met eene macht bekleed is, die zulke buitensporige afmetingen aannemen kan? Verhindert niet de waardigheid zelve des rechters hem te beschouwen als een gehoorzamen dienaar, die, alleen op aanstichting zijns meesters, in het krijt treedt? Vanwaar en waartoe de geweldige scheidslijn tusschen straf- en civiel recht, samenstellende deelen immers van ééne en dezelfde rechtsorde: daar, een rechter, die ingrijpt, hier, een rechter, die stilzit? Altegader, toch waarlijk niet luttele vragen, die het bestreden stelsel onbeantwoord laat.

Het feit alzoo, dat iemand vrijelijk beschikken kan over civiele

(1) t. a. p. blz. 168.

Sluiten