Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ons geldend strafrecht kent overtredingen betreffende hulpbehoevenden (art. 450 Str.); ons geldend handelsrecht erkent hulp als verplichtingsgrond (art. 560 W. v. K.).

Hoe rijmt met dit alles een lijdelijkheidsbeginsel, waarvan gansch ons procesrecht is doortrokken? Waant men wellicht,dat het partijen, ten civiele, steeds enkel om uitsluitsel nopens een rechtsvraag te doen is? Kan er eene illusie zijn, die opschromelijker wijze, de waarheid in het aangezicht slaat? Dagelijks, in den volsten zin des woords, dagelijks, kunnen zij, die in onze audiëntiezalen verkeeren, Moijère's scherpen blik toetsen en bewonderen:

On publie en tous lieux 1'équité de ma cause;

Sur la foi de mon droit mon ame se repose:

Cependant je me vois trompé par le succès,

J'ai pour moi la justice et je perds mon procés. (1)

En men berust in dien staat van zaken, als ware het een onafwendbaar noodlot! En men maakt den rechter, die het niet gebeteren kan, medeplichtige aan dat onrecht! En men paait zijne conscientie, met den zoogenaamden ,,eisch" van het civiele proces! En men weet, of kan weten, dat der euvelen bron is een romeinschkanoniek erfstuk, lijnrecht indruischend tegen ons ethisch bewustzijn! Waar, zoo niet hier, geldt het: systematis ardor, veritatis sepulchrum!

Hand in hand, tot bederf van ons procesrecht, gaat, naast de onduldbare lijdelijkheid, het wangedrocht der formeele waarheid, — een dogma, dat niet enkel aan het Recht, maar tevens aan de Logica zich vergrijpt. Op dit punt, kan de Staatscommissie, belast met het maken van een „Ontwerp tot herziening van de „eerste zes Titels van het IV» Boek van het Burgerl. Wetboek"

(i) Misanthrope. Acte V. scène lre.

Sluiten