Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mij schijnt de aanleiding tot het zeldzaam gebruik elders te liggen. De beteekenis en strekking van de genoemde voorschriften passen in een gedachtengang, vreemd aan onze bestaande procesregeling. Vandaar, dat men ze, in eigenlijken zin, daarin verdwaald noemen kan. Dit komt mij voor de wezenlijke grond te zijn, waarom beide genoemde bepalingen, te gader met die van art. 19 B. R., in de practijk, gerustelijk kan men zeggen, schier nooit worden toegepast. Het zijn vreemde lappen op een deken, die over eene antagonistische, weerbarstige wet is gespreid. Niet meer dan natuurlijk is het dan ook, dat onze rechters, door die wet in lijdzaamheid opgevoed, — der Stoïcynen deugd was ataraxia: onaandoenlijkheid, — niet eensklaps, door een harer voorschriften, tot zelfstandig optreden zich bewogen gevoelen.

Geheel anders staat het, in dit opzicht, met de fransche procesregeling, die ieder geding, in eerste instantie, door de poging tot schikking van den kantonrechter doet voorafgaan. Eene inleiding als deze is kenmerkend, en haar uitslag is het niet minder.

Nopens dien uitslag, gelijk tevens over de zelfstandige pogingen des kantonrechters tot schikking, leest men in het jongste fransche statistisch verslag:

„Comme conciliateurs en dehors de Vaudience, les magistrats can„tonaux ont délivré 1.235.131 billets divertissement, au lieu de „1.219.602 en 1902, et 1.234.278 en 1901. Les défendeurs appelés „dans le cabinet du juge étaient intéressés dans 1.129.053 affaires; „mais les parties ou l'une d'elles n'ayant pas r'epondu a eet appel „dans 494.771, il sensuit que les juges de paix n'ont eu h s'occuper „que de 724.282 dijjérends; ils en ont arrangé 408.790 (56 p. 100).

„Le nombre des demandes, soumises, en 1903, au préliminaire de „conciliation, en vertu des articles 48 et suivants du Code de procédure civile, est en diminution de 939 unités sur celui de Vannée

Sluiten