Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

chicaneus verweer. „Hoe paradox het klinke, met zekerheid mag men beweren, dat zoodanige splitsing van één „proces in twee, den strijd vereenvoudigt en verkort, in „stede van hem te verlengen en te vermenigvuldigen ; „want voor het bezigen van volstrekt nietige beweringen, „in den vorm eener zelfstandige vordering, deinst toch „menigeen terug, die in den vorm eener exceptie, het „daarmede beproefd hebben zou." (1)

Alzoo, door mechanische hulpmiddelen moet verkregen worden de gerechtigheid, waarop Ihering natuurlijk prijs stelt. Laat ons eens zien hoever men daarmede komen kan.

Iemand had waren verkocht op accept drie maanden. Die tijd verstrijkt en de kooper betaalt niet. De verkooper vraagt nu betaling. De gedaagde, wegmoffelend den verstreken tijd, noemt den eisch: iets anders. De verkooper,

(1) In ons recht (art. 250 Rv.) heeft men, op dit punt, gelukkig die zienswijze niet overgenomen. Men kan, reconventioneel, iedere aanspraak doen gelden.

De eerste uitzondering ziet op het geval, dat eisch en tegenspraak elkander niet dekken en past den regel toe : tot personae quot qualitates.

De tweede uitzondering is de toepassing van een grondwettelijk voorschrift (art. 156 Gw.)

Beide uitzonderingen zijn gewettigd. De derde en de vierde daarentegen zijn dit niet.

De derde uitzondering huldigt een regel, die zelf verwerpelijk is, te weten art. 130 Rv., gelijk boven is aangetoond.

De vierde beschermt de fictie: res judicata pro veritate habetur (een vonnis wordt voor waarheid gehouden). Dus: eerst gehoorzamen, straks zelf procedeeren. Volkomen valsch, zelfs juridisch onhoudbaar. De eischer in reconventie doet wat de fictie gebiedt, beaamt volmondig den eisch, maar tracht het toekomstige vonnis te verhoeden, als in strijd met zijn, aan 's rechters cognitie onderworpen, recht.

Sluiten