Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feiten sublimeert onder een rechtsregel, niet die gereed ligt. maar waaraan hij het aanzijn geeft.

Men doet 'e rechters taak, dunkt mij, te kort, men onderschat haar, wanneer men haar zich voorstelt als een dialectisch proces, als een sluitrede, ten einde de feiten te brengen onder een rechtsregel, die van elders aanwezig is.

Met die opvatting, zou noch eene werkelijke rechtswetenschap, noch eene goede rechtspraak mogelijk zijn. Een werkelijke rechtswetenschap niet, omdat de rechtswetenschap tot taak heeft, bij het telkens zich vernieuwende leven, zich aan te sluiten, en niet, om te worden een commentaar op de wellicht versteende wetten, — eene rechtspraak niet, omdat de letter van de wet de duizendvoud geschakeerde feiten (innumerabiles variarum causarum tigurae) niet op den voet volgen, laat staan beheerschen kan.

De rechter staat derhalve veeleer met den wetgever op ééne lijn, met dit verschil, dat de wet abstract, de rechter concreet spreekt, en dat de wetgever geheel vrij, de rechter gebonden is, gebonden namelijk aan de wet, die hem tot leidraad, tot richtsnoer dient. (1) Bij die opvatting komt in het ware licht de regel: gewijsde heet waarheid. De hier bedoelde „waarheid" is het, door den rechter, aan de hand van de feiten geschapen recht, dat, binnen zijne sfeer, als geldend recht geëerbiedigd moet worden.

Welnu, met die opvatting van het standpunt van den

(1) l)en regel: non contra legem sed praeter legem heb ik elders uitgewerkt. Zie Rechter en Wet (den Haag 1900).

Sluiten