Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïhering aangeprezen, met mijn aanvangt en met mijn eindigt. Van haar, is zelfzucht het innerlijk wezen, eigenbaat de eenige strekking. Dat in het belangeloos prijs geven van eene rechtmatige aanspraak meer zieleadel liggen moet, dan in meedoogenlooze vervolging, loochent zij niet enkel, /ij keert dien regel eenvoudig om, ten einde ruimte te vinden voor het richtsnoer, dat zij aanbeveelt. Ronduit aan egoïsme hooger zedelijke waarde toe te kennen, dan aan zelfopoffering, durft zij niet. Daarmede, zou onmiddellijk hare bedoeling ontmaskerd zijn. Zij bezigt dus een kunstgreep, die eigenbelang uitsluitend beoogt, doch tevens het bedekken moet. Van haar wereldbeschouwing is en blijft het ego middelpunt. Zij roept echter de fictie te hulp, alsof het belang van het individu steeds met dat der gemeenschap overeenstemt en samenvalt. Waar rechten verkregen zijn, wil zij bevrediging ten einde toe. Die baatzucht bewimpelt zij, door den strijd om het eigen recht, tot een strijd voor de rechtsorde te verklaren. Aan het platte, rauwe materialisme hangt zij den mantel des ideaals om de schouders. En als dit geschied is, verbeeldt zij zich dat het van aard en gedaante is veranderd.

In overeenstemming met Ihering's algemeene reehtsbesehouwing zijn twee tekortkomingen, die hij aan de nieuwere rechtsordening verwijt en die eene korte vermelding verdienen, omdat zij de procesregeling althans raken.

De eerste dier leemten, zegt Ihering is : „dat aan de „moderne rechtspraak het door mij ontwikkelde eenvoudige

Sluiten