Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„schuldenaars der wereld hadden saamgespannen om den „schuldeischers hun recht te ontnemen, dan hadden zij, „tot dit oogmerk, niet een meer afdoend middel te voorschijn kunnen brengen, dan onze rechtspraak het gedaan „heeft, door bedoelde bewijstheorie. Geen wiskunstenaar „kan eene meer exacte methode van bewijs aangeven, „dan onze rechtspraak haar in toepassing brengt."

Dit vonnis van Ihekinu is gestreng, maar verdiend. Ik heb, elders, voor de vrije bewijstheorie, in Duitschland sedert 1 October 1897 in zwang, een lans gebroken. (1) Men kan haren samenhang met een deugdelijk proces, of liever de innige verhouding tusschen dit laatste en de eerste, niet nauw genoeg zich voorstellen. Als algemeene regel moge gelden: wie meester is van het bewijs is meester van het proces. Een slechte proeesregeling — zoo al denkbaar — met vrije bewijstheorie, kan, onder de hand des rechters, deugdelijk en bruikbaar worden. De beste procesregeling, zonder haar, is volkomen waardeloos. De rechter, alsdan ieder oogenblik gedwongen, in het gareel der wet te loopen, die hem, voetje voor voetje, het, door haar vooraf afgebakende, gangetje voorzichtiglijk doet volgen, ziet, voelt en tast het onrecht voor oogen, maar moet de oogen sluiten en onrecht doen. Het kwaad, dat ons ellendig bewijsrecht gebrouwen, en het goede, waarvan

(I) Opzoomek's Verklaring B. W. voortgezet dl XII. Afl. 1 blz. 1— ;53 (den Haag 189'2.)

Sluiten