Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sonen, al hetgeen geschapen is, wederom in den ouden geest behandeld wordt. Dit is de innerlijke grond tegen een partieele regeling en dien komen wij nooit te boven. Men moet, met de laatste overblijfsels van het verouderde procesrecht, ernstig opruimen. Wanneer alsdan den belanghebbenden nieuwe perspectieven zich openen en zij van meet af weten, dat er niet ruimte is voor de voortzetting der gewoonten tot dusver, men in de nieuwe wet zich te schikken heeft, zal dit een feit van zoo onschatbare waarde zijn, dat, uit dien hoofde reeds, het te verwonderen is, hoe onlangs eene partieele hervorming aanbevolen worden kon.

Ik kom nu tot den centralen aanval, dien de afgevaardigde * * * op de nieuwe procesvoordracht deed, want het schijnt mij van bijzonder belang onmiddellijk de beschouwingen en het oordeel, door hem over het wetsvoorstel uitgesproken, te weerleggen en te verhinderen, dat zij ongunstigen invloed hebben op de proceshervorming.

Zijne critiek behelst eigenlijk de grootste loftuiting voor de regeeringsvoordracht en het werk der Commissie, want al hetgeen hij, als laatsten eiseh eener verstandige wetgeving, gesteld heeft, — nu er sprake is van de voorstellen der Commissie kan ik het in alle kalmte verklaren, — is in de voorstellen der Commissie bereids verwerkelijkt. Hoe het komt, weet ik niet, de zaak verklaren kan ik niet, maar ik zal de eer hebben aan te toonen, dat de wenschen,

Sluiten