Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men riehte den blik naar Engeland, niet ter navolging, hetgeen noch kan, noch raadzaam is, maar ter leering. Acht men het bloot toeval, dat het kleine aantal rechters vorstelijk wordt gehonoreerd? Dat hunne bedrevenheid en zaakkennis, hun open oog voor levenscisch en rechtshanteering, spreekwoordelijk zijn ? Dat om hunne uitspraken heen, eene school letterlijk van gewijsde zaak zich vormt, die straks het „precedent" in 't leven roept? Dat zij het zijn, die zelfbewust, naast het Parlement, een gewichtig aandeel hebben in de rechtsvorming ? Dat hun optreden, hunne achtbaarheid, hun standing in één woord, den Rechtstaat verpersoonlijkt en veraanschouwelijkt?

Dunkt u dit alles in beginsel onbereikbaar? Wij ontnemen onzen rechters de bescheiden ruimte van beweging, die zoo hoog noodig is om aan het intellect vrijheid van stoffelijke zorgen te gunnen. Wij plaatsen hen in de benepen sfeer van minder dan middelmatige belooning. Wij nopen hen tot bekrompen leefwijze. Wij onthouden hun de mogelijkheid om onze wetenschap op den voet te volgen. Immers brengt dit uitgaven mede, die door den slender van gemeenschappelijke bibliotheken, met hunne „compendia, receuils en verzamelingen" geenszins worden vergoed. Wij veroorzaken zijdelings, dat bemiddeld te zijn, tot de essentialia van het rechterlijk ambt gaat behooren. En als wij dit alles tot stand hebben gebracht, leggen wij gelaten ons neer bij het immers onvermijdelijke.

Zeker is hier, voor een deel, eene schrielheid in het

Sluiten