Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Rusland wilt gaan, vertrek dan. Moge de Hemel u geleiden!"

Moet ik bekennen, dat de voorspellende woorden van den grijsaard mij toen deden glimlachen, en dat ik mijne reis vervolgde, zonder naar hem te willen luisteren.

Toch bleven zijne bemerkingen en raadgevingen, ook zijne vrees en zijn droevig voorgevoel niet zonder uitwerking op mijn gemoed; het was mij onmogelijk eene zekere ongerustheid te onderdrukken, welke toenam, naarmate ik de grenzen naderde; eindelijk werd ik zoo geprangd, dat ik verscheidene malen aan mijne vrouw voorstelde, zelfs toen wij al te Memel waren, de reis zonder mij te vervolgen, voorgevende, dat ik haar terugkeer in deze stad zou afwachten. Zij spotte met mijn angst en schrik en volgens de berekeningen der menschelijke voorzichtigheid kon zij ook niets beter doen dan er mede spotten.

Weldra naderden wij de grenzen van het onmetelijke Russische rijk; wij stapten die over, doch waren nog immer meester om op onze schreden terug te keeren: geen enkele macht had ons nog aangehouden, geen enkele rivier of brug scheidde ons van Pruisen. Het diepste stilzwijgen bewarend, en met beklemd hart, keek ik door de portieren van ons rijtuig naar alle zijden rond. De raad, dien Baron Von Krudener mij had gegeven, de brieven mijner vrienden, de vertoogen van den grijsaard speelden meer dan ooit met mijne verbeelding. Mijne echtgenoote zelve — ik vernam zulks later — begon mijne ongerustheid te deelen. Waarom zeide ze het mij op dat oogenblik niet. Toen ware het nog tijd om naar Weimar terug te keeren; doch zij bewaarde het stilzwijgen en onze paarden holden steeds voort.

„Halt! riep een Kozak met een groote piek gewapend, (wij waren toen aan eene brug gekomen, die over eene smalle rivier lag), links naar de wachtpost!" Deze woorden schenen mij verschrikkelijk ; ik verstijfde van schrik, de officier werd gewaarschuwd. Deze verscheen weldra en zeide mij op denzelfden norschen toon: „Uw paspoort, mijnheer!" „Hier is het," sprak ik. Hij maakte het haastig open, las het, keek angstvallig naar de onderteekening en vroeg ten laatste: „Wie heeft dat paspoort geteekend? — Baron Von Krudener, wedervoer ik.— Gij komt dus van Berlijn? — Ja, Mijnheer. — Zeer goed, gij kunt doorgaan." De officier gaf een teeken en de slagboom

Sluiten