Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der brug werd geopend. Ons rijtuig rolde voort en wij hoorden den slagboom achter ons neervallen.

Sedert het oogenblik van dezen onheilspeilenden doortocht is die slagboom nooit meer uit mijn geheugen gewischt, en altijd stond hij mij als de noodlottige slagboom voor den geest. En werkelijk had ik redenen, om die ongelukkige plaats te verwenschen. Aan deze zijde van den slagboom, die welke ik verliet, bevond zich dat lachende leven met zijne vrijheid, zijne onschuldige genoegens, zijne bekoorlijke aandoeningen; aan de andere, die welke ik betrad, groote God, welke rampen en martelingen zouden mij daar treffen. Doch laat ons de gebeurtenissen niet vooruitloopen.

Nauwelijks waren wij de brug over, of ik trachtte mijne ontsteltenis en vrees voor mijne echtgenoote te verbergen en sprak haar bemoedigend met een glimlach om de lippen toe:

„Wij zijn er; ge kunt dus tevreden zijn! — „En gij? vroeg ze mij." — „Ik ben het ook!" God weet, welke angsten mijn hart verscheurden.

Er waren ternauwernood eenige minuten verloopen, of wij bevonden ons midden in een gehucht, Polangen genaamd. Ons rijtuig hield voor het douanenkantoor stil. Het hoofd van deze inrichting wras de Luitenant-Kolonel Sellin, een man, even verstandig als menschlievend. Hij had eertijds gediend in een regiment, dat langen tijd te Newa in garnizoen had gelegen, daarna had hij zijn verblijf gevestigd op een landgoed, dat aan mijne eigendommen grensde. Wij waren dus oude kennissen. Drie jaren geleden hadden wij op dezelfde grenzen van elkaar afscheid genomen, en dat onder de betuigingen der hartelijkste vriendschap. Mijne echtgenoote en ik verheugden ons uitermate dien waren vriend terug te zien. Zoodra hij verscheen, sprong ik uit het rijtuig, om hem teederlijk te omhelzen; doch hij ontving mij koud, week zelfs terug, toen hij bemerkte, dat ik mij in zijne armen wilde wrerpen, en deed alsof hij mij niet herkende; toch groette hij mij beleefd. Mijn vrouw, die na mij uit het rijtuig stapte, werd even koel bejegend, doch hare tegenwoordigheid scheen den kolonel eenigszins in verlegenheid te brengen. Wij bewaarden alle drie het stilzwijgen; ik stond ontsteld, verslagen, en sprak met

Sluiten