Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige drift: „Sellin, kent gij mij niet meer." Hij richtte de oogen ten hemel: „Ik ben Von Kotzebue." Nu legde hij de hand op de borst, en deze stomme uitdrukking van zijne vriendschap was voor mij als een bliksemstraal. Mijne echtgenoote, wie niets ontgaan was, verbleekte eensklaps. Sellin geleidde ons naar zijne vertrekken. Wegbranch, die ons rijtuig van af Memel te paard gevolgd had, wilde ons niet verlaten; hij trad met ons de woning van onzen vriend binnen. Toen deden wij alle pogingen om onze vrees te verdrijven en- het gesprek minder koel te hernemen, doch op alle vragen, welke wij den kolonel deden, ontvingen wij slechts ettelijke korte zinsneden. Door deze bescheidenheid vermoeid, spraken wij geen woord meer. Sellin vroeg mij mijn paspoort. „Het is in handen van den Kozakschen officier," zeide ik hem. — „Laat ons dan zijn terugkeer afwachten," voegde hij er bij, en wij bleven nog eenige oogenblikken in die allerverschrikkelijkste onzekerheid.

Eindelijk verscheen deze officier, hij reikte mij het paspoort over; Sellin nam het over, las het, en tranen, die hij trachtte te verbergen, welden uit zijne oogen. „Gij zijt dus, sprak hij, president Von Kotzebue?"

— Zeker, Mijnheer, wij kennen elkander toch reeds sedert verscheidene jaren.

— 't Is waar, maar ik zie mij genoodzaakt.... verschrik niet, Mevrouw.... ik zie mij genoodzaakt.

— Waartoe, vroeg mijne vrouw ontsteld.

— Mijnheer, uw echtgenoot aan te houden!

— Hem aan te houden?

Mijne eega slaakte een kreet, zij beefde over al hare ledematen en wierp zich in mijne armen ; daarop richtte zij wanhopig het woord tot zich zelve en deed zich de bitterste verwijtingen. Mijne kleine kindereu waren bij dit tooneel tegenwoordig; ook zij weenden, toen zij de smart hunner moeder zagen. Ik stond daar onbewegelijk de oogen op Sellin gericht, die de zijne droevig nedersloeg; ik kon geen woord meer spreken en hoorde de angstkreten niet, die rondom mij geslaakt werden, doch een blik werpende op mijne in zwijm vallende echtgenoote, kreeg ik nieuwe kracht en moed. Ik plaatste haar in een leunstoel; langzamerhand kwam zij weer bij zinnen. Toen bezwoer ik

Sluiten