Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

Mittau. Het eerste Verhoor.

|^»^|oen alles gereed was tot het vertrek, de paarden waren ivoorgespannen en gezadeld, stegen wij in het rijtuig. l&tSsSJ Men was genoodzaakt de wieg van een mijner kleintjes achter het voertuig te stellen, om eene zitting te bereiden voor mijn bediende, die zijne plaats aan een Kozak had afgestaan. Mijne portefeuille met lood verzegeld, lag in een der bakken van het rijtuig, ter plaatse, waar ik gewoon was te zitten. Men had mij den sleutel overhandigd. Het kwam mij in de gedachte, dat door een of ander toeval het lood kon beschadigd worden en dat dit aanleiding zou kunnen geven tot eenige vermoedens tegen mij. Ik gaf daarom den sleutel af en verzocht dien ook te verzegelen en met het rapport te verzenden, wat ook geschiedde.

Ziedaar ons nu op weg. Op den bok zat een Kozak, gewapend met een sabel en twee pistolen; achter ons reed een kapitein in een wagen.

Dit schouwspel vermaakte onze kinderen zeer.

Mijne vrouw weende. Ik had moed gekregen en schertste zelfs. De Kozak, die voor ons zat, kon ons geen vrees inboezemen ; hij had niets verschrikkends aan zich, dan zijne wapenen. Het was een man van groote gestalte, wel gemaakt en goed gekleed. Hij was zoo gedienstig en beleefd mogelijk. Hij groette ons immer zeer vriendelijk, wanneer wij uit het rijtuig stegen.

De officier was een Pool. Ik had mij ook gedurende onze geheele reis niet over hem te beklagen. Hij scheen mij niet geboren om het ambt te vervullen, waarmede hij belast was; alleen had ik het te betreuren, dat hij van ons reisgezelschap was,

Sluiten