Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch laten wij tot ons verhaal terugkeeren.... Menigmaal was het mij gedurende mijne reis gemakkelijk geweest de vlucht te nemen. Den tweeden nacht brachten wij door in eene herberg, waar de officier eene kamer betrok nog al verre van de mijne verwijderd, en dewijl ik des morgens vroeg opstond, bemerkte ik, toen ik op de binnenplaats een weinig ging op en neer wandelen, dat de kozak heel rustig tusschen mijne twee bedienden lag te slapen. Wij waren nog niet ver over de grenzen. Als ik een goed boerenpaard bestegen had, zou ik spoedig in mijn vaderland teruggekeerd zijn; doch alleen het denkbeeld eener vlucht stiet mij tegen de borst, en ik verbande het uit mijn geest.

Den 26sten April kwamen wij tegen twee uur in den morgen te Mittau aan. Wij stapten in dezelfde herberg af en namen onzen intrek in dezelfde kamer, welke wij drie jaar geleden bij mijn terugkeer uit Rusland betrokken hadden. De officier zocht spoedig zijne slaapkamer op, een vertrek tamelijk ver van het mijne verwijderd. Een uur later lag de Kozak reeds verschrikkelijk te ronken: ik had dus andermaal gelegenheid mij uit de voeten te maken, doch wilde het niet doen en begaf mij te ruste. Na eenige uren van een onrustigen slaap, stond ik op, kleedde mij, om mijne opwachting te maken bij den gouverneur Von Driesen, met wien ik vroeger reeds kennis had gemaakt. Ik had hem eertijds te St. Petersburg ontmoet; het was een goede man, met wien ik gaarne te doen had; en ik was recht blij, dat men hem met het onderzoek mijner papieren en van mijn gedrag belast had. Nu zou mijne onschuld weldra duidelijk blijken. Wien zal het dus verwonderen, dat ik mij in volle gerustheid tot mijn rechter begaf. Mijne goede Christel echter vergezelde mij niet. Zij verkoos in de herberg te vertoeven, doch was zeer ongerust over den afloop der zaak. Ik beloofde haar aanstonds een bode te zenden, zoodra de beslissing gevallen was. Men zou gezegd hebben, dat zij vermoedde, dat het vonnis niet zoo voordeelig zijn zou, als ik wel verwachtte, doch ik deelde hare vrees niet en aanzag het verhoor, hetwelk ik nu moest ondergaan, als het laatste.

Toen ik in de voorkamer van den gouverneur wachtende was, kwamen mij de bedienden verwittigen, dat ik voor Mijnheer

Sluiten