Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Von Driesen niet verschijnen kon in een jas, met neergeslagen kraag. Ik bracht hun aan het verstand, dat ik een vreemdeling was en mijne kleederen onder zegel lagen. Men maakte nu geene opmerkingen meer. Ik was verplicht ongeveer een uur in de tweede voorkamer te wachten en had gelegenheid het zonderlinge ameublement van dit vertrek te bezichtigen. Ik wil niet spreken van eenige stoelen, noch van eene sopha, welke daar als bij toeval stonden, maar van eenige kleine schilderstukken aan den wand, die met opzet uitgekozen schenen, om de wachtkamer te versieren.

De eerste schilderij, waarop ik mijne oogen wierp, stelde een wolf voor, een schaap verscheurende; de tweede een valk, zijne klauwen slaande in een schuchter haasje ; de derde een beer, uitziende naar zijne prooi; de vierde een vos in een strik gevangen; doch zonder tegenspraak was het merkwaardigste van alles eene groote tafel, waarop in raadselachtige letters deze zinsnede geschreven stond : _De mensch kan leeuwen en tijgers temmen; hij kan het schiclitigste paard beteugelen, maar hij heeft den moed niet zich in het zwijgen te bedwingen." *)

Men moet bekennen, dat dergelijke beeldspraak, ofschoon zij veel waars bevatte, niet zeer bemoedigend was; en de plaats, waar zij gevonden werd, zette haar nog meer kracht bij. Ik kreeg, van af dat oogenblik denkbeelden, geheel verschillende van die, welke mij hadden gerustgesteld. Ik werd eensklaps somber en mijn geest gaf zich over aan droevige en pijnlijke opmerkingen.

De officier, die mij tot Mittau vergezeld had, werd bij den gouverneur ontboden. Ik stond daar alleen, de oogen vestigend op die onheilspellende schilderijen, waarop ik met strakke blikken bleef staren, totdat de gouverneur zelf in de voorkamer verscheen. Ik liep hem tegemoet: hij ontving mij met zichtbare ontsteltenis; evenwel betuigde hij mij, dat hij zich onze vroegere vriendschap herinnerde en verklaarde dat hij met genoegen al mijne werken gelezen had doch dat hij er één gebrek in gevonden had, namelijk wat te bijtend, te scherp te zijn. Ik antwoordde slechts stamelend op dezen lof; want ik koesterde

*) Vrjje vertaling van een vers der H. Schriftuur. (H. Jacobus 'III. 6.)

Sluiten