Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het rijtuig sliep en hoorde hem geruststellend ronken. Dadelijk zocht ik al tastende mijne laarzen en mijn hoed, nam mijn mantel onder den arm, klom op de tafel, die bij geluk niet kraakte, en mijn adem inhoudende, en stil staande, telkens als de raadsheer eene beweging maakte, gelukte het mij de kamer te verlaten. Toch ondervond ik nog eenige teleurstelling. Toen ik met een been buiten het raam zat, kon ik geen steunpunt vinden. Springen was niet gemakkelijk, en evenmin voorzichtig: het raam was hoog en ik liep gevaar mij te kwetsen of al vallende den koerier te wekken, die zoo dicht bij mij was. Van den anderen kant kon ik mij niet met de handen vasthouden, omdat ik in de rechter mijne laarzen had, die mij onontbeerlijk waren. Ik was dus verplicht stilletjes mijne zaakjes te laten vallen. Eerst wierp ik mijn mantel op den grond, vervolgens mijne laarzen er op: mijne beide handen waren nu vrij, ik klom het raam uit, maar ik bleef hangen, totdat ik mijn voet op een der raderen van het rijtuig kon zetten. Alles ging voorspoedig: de koerier en de raadsheer sliepen rustig door, ik sloot het raam dicht, uit vrees, dat de wind het zou bewegen en een der twee zou wakker maken. Ik steeg daarna af, nam mijn goed op en eenige minuten later was ik buiten het terrein der herberg, d. w. z. in vrijheid; dadelijk deed ik mijne laarzen aan en wikkelde mij in mijn mantel, en toen ik een doornatte weide was overgetrokken, bevond ik mij op den grooten weg.

Mijn plan was naar Kokenliousen terug te keeren en den postmeester over te halen mij te verbergen. Zijn vriendelijkheid, de beleefdheid van zijn gezin, de woordenstrijd, die hij den vorigen dag met den raadsheer had gehad, deden mij hopen, dat ik daar eene schuilplaats zou vinden. Ik stelde mij verder voor desnoods eene aanzienlijke som aan te bieden, om deze goede lieden te winnen. Indien zij mij niet konden herbergen, was ik besloten naar de ruïnen van het oude kasteel van Kokenhousen te gaan, mits zij er in toestemden mij de noodige levensmiddelen te bezorgen; van daar kon ik den baron Von Lowenstern van mijn verblijf verwittigen, hem verzoekende mijne vrouw en trouwe vrienden van mijne positie in kennis te stellen. In één woord niets scheen mij minder moeilijk dan dit plan uit te voeren, en daarom had ik het zoo bij mij zei ven bepaald.

4

Sluiten