Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar toe ... Ik achtte mij verloren en deed eene beweging om te vluchten, doch hij ging voorbij zonder mijne schuilplaats ontdekt te hebben. Hoe dankte ik den Hemel voor mijne redding! De boer had zich verwijderd, doch ik twijfelde geenszins, of hij was te mijner opsporing uitgezonden en ik wenschte mij zeiven geluk, dat ik zoo gelukkig aan zijne nasporingen ontsnapt was.

Een half uur later, toen ik nog ernstig over het voorgevallene nadacht, hoorde ik eensklaps een anderen boer, die in dezelfde weide ronddwaalde. Deze sloeg zijne blikken niet vorschend rond, doch stapte daarheen als iemand, die naar zijn werk ging. Begrijpelijkerwijze was ik minder verschrikt. De eenige opmerking welke ik maakte, en die mijne ongerustheid ook weder eenigszins gaande maakte was, dat het houtgewas achter mij zich niet zoover uitstrekte als ik gedacht had. Alles deed mij veronderstellen, dat ik zeer dicht bij een beganen weg stond. Ik hoorde ieder oogenblik rijtuigen, die voorbij rolden; ik zag in de verte boerinnen loopen, redenen waarom ik naar den nacht verlangde.

Eene andere vrees, grooter dan alle andere, maakte zich van mij meester. Verscheidene jachthonden lieten hun sterk geblaf hooren en ik vernam zelfs, dat de dieren werden opgehitst om iemand of iets op te zoeken. De geschiedenis van Joseph Pignata, die, nadat hij aan de gevangenis ontsnapt was, door honden werd achtervolgd, kwam in mijn geest op. Ofschoon in Lijfland de honden niet gedresseerd werden tot opsporing van menschen, overtuigde ik mij, dat dieren mij gemakkelijk konden verraden. Immers, indien het wild, dat zij achterna joegen, ongelukkigerwijze in de richting zou loopen waar ik mij bevond, dan zou het geblaf der honden mijne schuilplaats openbaren. Het was mij niet onbekend, dat de honden een verschillend geblaf laten hooren, naargelang het menschen of wild geldt, en de jagers, die hun spoor volgden, konden me dus vrij gemakkelijk ontmoeten. De jacht duurde lang, ik stond duizend angsten uit, doch ten laatste bemerkte ik, dat zoowel honden als jagers langzaam aftrokken. Eindelijk daalde de avond, ^doch de nacht, al bracht hij een weinig kalmte, ging weder niet zonder zorg en angst voorbij.

Sluiten