Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op den grooten weg uit en eindigt in een terras, dat door een hek gesloten wordt. Toen ik voor den ingang van het slot stond, bemerkte ik een licht, dat men van het eene vertrek naar het andere medenam. Weldra verdween het schijnsel op de eerste verdieping, doch het lichtje flikkerde weer kort daarop door de ramen van de verdieping gelijkvloersch. Toen zocht ik naar de bel of den klopper, om mijne aankomst te verwittigen ; doch de deur, welke ik even aanstiet, ging open en ik kon binnentreden. Ik bleef een oogenblik in onzekerheid, of ik nog een stap verder zou zetten. Moet ik aldus, dacht ik bij mij zeiven, het kasteel binnensluipen. Loop ik geen gevaar voor een dief te worden gehouden, een alarm te verwekken en als een dief te worden gearresteerd ? Door welk toeval staat de deur open'? Zal men niet zeggen, en zal de kasteelheer het er zelf niet voor houden, dat ik geweld heb gebruikt ? Kan ik op deze wijze de gastvrijheid verzoeken ? Zelfs in het geval, dat men mij niet als een inbreker zal beschouwen, is dan de ontsteltenis, die mijne komst zal teweegbrengen, niet voldoende, om een ieder tegen mij in te nemen ? Van den anderen kant overwoog ik, dat het mij in mijnen staat van uitputting onmogelijk was tot Kokenhousen voort te sukkelen. Mijne beeneh konden mij ternauwernood meer dragen, mijn lichaam beefde van zwakte. Deze laatste overwegingen deden mij besluiten het kasteel binnen te gaan. In den voortuin gekomen, volgde ik een weg, aan weerszijden door eene groote haag beschut. Hij liep recht op het gebouw aan, waar ik nog het licht zag branden. Nauwelijks had ik eenige schreden gedaan, of ik bespeurde eene witte gedaante, die ik aanzag voor een wandelend persoon. Ik ging hem tegemoet en verhaastte den tred, doch wat vond ik ? Een standbeeld van Neptunus op het midden van een groot waterbekken.

Mijne dwaling veroorzaakte mij eenig verdriet en gaf mij stof tot ernstig nadenken. Nu naderde ik bevend en langzaam het kasteel. Al mijn vorige ongerustheden werden weder opgewekt. Het kwam mij voor, dat ik onmogelijk verder kon gaan, zonder aan de wetten van eer te kort te blijven en mij in ongelegenheid te brengen. Ik achtte mij verloren, indien

Sluiten