Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

durende den maaltijd vertelde ik ongekunsteld de lotgevallen mijner reis: het verlof van den keizer, mijne aanhouding en ballingschap, mijne onbekendheid met de oorzaken mijner gevangenneming, eindelijk de wijze, waarop ik gevlucht was, de smarten, die ik had verduurd en mijne verlegenheid, om mij in dit late uur op het kasteel aan te melden. De kasteelheer en zijne echtgenoote betuigden mij hunne levendige belangstelling in mijne ongevallen en hoopten, dat ik er in slagen zou mijne onschuld te bewijzen. Terwijl zij dezen wensch uitspraken, — hij kan werkelijk oprecht gemeend zijn, — scheen het mij toe, alsof zij niet ten volle overtuigd waren, dat ik mij niets te verwijten had. Toch stond ik daarover niet verwonderd. De goede lieden, gewoon om in alles nauwgezet de wetten van hun land te volgen, konden zich niet inbeelden, dat het gerecht ongelijk hebben kan. Ik vergaf hun dit mistrouwen en bleef den slotheer verzoeken mij in deze netelige omstandigheid niet te verlaten. Ik vroeg hem niet, dat hij mij in zijn kasteel huisvesting zou verleenen, maar mij naar een hem toebehoorend verwijderd grondgebied zou zendon, totdat ik andere middelen zou hebben, om te ontsnappen aan het vreeselijk lot, dat mij wachtte. Nu scheen de slotheer onzeker in zijne antwoorden. Hij had het voorkomen van iemand, die gaarne een dienst wilde bewijzen, maar weifelde dien te verleenen. Mevrouw \ on Beyer, alleen haar goed hart raadplegende, drong er op aan mij den gevraagden dienst toe te staan. Ofschoon zij niets zeide, teekende haar gelaat de grootste welwillendheid.

Sluiten