Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de plaats van den slotheer was en een trouw onderdaan wilde zijn, zou ik dan de voorzichtigheid zoo ver moeten drijven. Verondersteld, dat de raadsheer van het hof hem nadrukkelijke bevelen had gegeven, wel geschikt om hem vrees aan te jagen, indien hij zich tot mijn medeplichtige maakte, moet hij mij dan als een misdadiger doen bewaken. Ware het niet voldoende, dat hij een wachtpost aan mijne deur en een tweede aan mijn venster plaatste? Heeft hij een leger landlieden noodig om mijne vlucht te beletten? Is de slotheer dan werkelijk verplicht er een aantal veiligheidsmiddelen op na te houden, alsof zijne woning eene burcht ware? Bovendien welk verwijt zou men hem kunnen doen, indien ik ontsnapte? Zijn kasteel is toch geen staatsgevangenis, waar men achter slot en grendel zit. Indien hij mij had opgesloten, zou hij zijn plicht gedaan hebben. Maar waarom dan al die berekende voorzorgen. Moet ik evenwel den Heer Von Beyer de schuld van alles geven? Is het niet een greep van Prostenius? Het hart van den slotheer kan vreesachtig zijn, het is toch niet wreed."

Te midden van al die denkbeelden kwam de slaap mijn uitgeput lichaam overvallen. Ik kon evenwel niet rustig slapen, dewijl de geest vol verwarring was; toch sluimerde ik tot vijf uur des morgens. Toen werd ik volkomen wakker. Mijne eerste gedachte gold den brief aan den keizer; ik stond in den haast op, kleedde mij en zette mij aan de tafel, waar ik het noodige schrijfgereedschap vond. Nooit vond ik zooveel te zeggen, zooveel redenen van verontschuldiging voor mijne voorgewende fouten, nooit schreef ik een brief met meer warmte en welsprekendheid. Ik sprak met den moed en de stoutheid, welke eene onrechtvaardige behandeling en een harde verdrukking aan de onschuld kunnen geven. Ik smeekte geenszins, dat men mij vergeven zou, maar vroeg, dat men mij recht zou laten wedervaren. Mijn schrijven was lang. Wanneer men in het ongeluk verkeert, dan kan men geen woorden genoeg vinden, om zijne smarten uit te drukken en te blijven herhalen.

Zoodra ik geeindigd had, bracht een bediende mij het ontbijt. Ik schreef een tweeden brief voor den graaf Von Palhen, den vertrouweling van Paul I; een derden richtte ik tot den graaf

Sluiten