is toegevoegd aan uw favorieten.

De banneling

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XV. Hardvochtigheid mijner Geleiders.

093aar ik moet naar mijne geleiders terugkeeren, die El I aangename tafereelen vergeten, om aan het verschrikIfl kelijke mijner ballingschap, aan mijne kwellingen

te denken.

Den eersten nacht, toen wij stilhielden, bemerkte ik alvorens mij ter rust te begeven, dat men de grootste voorzorgen voor de veiligheid van mijn persoon begon te nemen. Men stelde schildwachten, wierp barricaden op voor mijne vensters, en plaatste mijne legerstede zoo dicht mogelijk bij die van den raadsheer. De koerier sliep op den grond, en zijn bed was zoo geplaatst, dat ik onmogelijk vluchten kon zonder over hem heen te stappen. Ik moet bekennen, dat ik nog weinig trek in eene tweede vlucht had en mij weinig bekreunde om al die schikkingen. Mijne eenige zucht was in een diepen, verkwikkenden slaap eene zoete rust te zoeken. Den volgenden morgen wilde ik mijn al te ruwen baard gaan scheren en vroeg daartoe mijne benoodigdheden. Deze werden mij geweigerd en men stelde mij voor een barbier te ontbieden. Tevergeefs bracht ik in het midden, dat ik jaren lang gewoon was mij zeiven te scheren en dat ik er een afschrik van had mijn gelaat over te leveren aan de handen van een onzindelijken, wellicht onbeholpen dorpsbarbier. — Ik kreeg daarop geen antwoord, doch men liet een man van dat beroep komen.

„Meent gij dan, sprak ik tot den raadsheer, dat ik, indien ik lust tot zelfmoord had, tot dit middel mijne toevlucht zoude