Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De voeten van den armen grijsaard waren opgezwollen, door het gewicht zijner ketenen en zijn gelaat zeide genoegzaam, dat hij zeer krank was. Zijne geleiders waren een lagere beambte en een politieagent van Kazan, een Griek van geboorte, die zeer goed het Italiaansch verstond. Deze geleider was ten minste een onderwezen, ontwikkeld man en deed zijn best, om het lot van den gevangene te verzachten. Zijne vroolijkheid beviel mij. Ik vroeg om een onderhoud met den luitenant-kolonel, wat hij mij toestond; zeldzame gunst. Zij moet wel een gelukkigen indruk gemaakt hebben op het hart van den raadsheer! Wij waren verplicht samen te spreken in eene taal, dien hij niet verstond. Ofschoon ik weinig van het Italiaansch kende, gevoelde ik een onuitsprekelijk genoegen mij te kunnen onderhouden met een verstandig wezen; sedert drie weken toch had ik geleefd met lompe, onwetende menschen.

Na deze ontmoeting reisden de twee gezelschappen bijna altijd gezamenlijk, en indien wij een oogenblik van elkaar moesten scheiden, dan waren wij weder spoedig vereenigd. De luitenant kolonel scheen mij een braaf en dapper man, die zijn ongeluk met veel mannelijkheid verdroeg. Hij was er met zijn geleider beter aan toe dan ik, maar zijn lot was toch beklagenswaardiger dan het mijne, wat betreft de noodzakelijke levensbehoeften. Hij was van alles beroofd, dewijl hij bij zijne gevangeneming slechts inderhaast eenig geld kon bergen, waarvan hij helaas onderweg geen gebruik kon maken tot aankoop van kleederen en onontbeerlijke benoodigdheden. Deze lotgenoot maakte op mij diepen indruk. Ik nam zijn voorbeeld van overgeving ter harte en besloot hem na te volgen. Dewijl ik hem als een reisvriend beschouwde, bood ik hem met het grootste genoegen suiker en thee aan, die ik in voorraad had. O wat glimlachte hij vol dankbaarheid, wanneer ik hem dergelijke kleinigheden bezorgde. Hij was er steeds op uit mij toe te spreken en een lang onderhoud met mij te hebben, doch die troost werd ons menigmaal ontzegd.

Op ongeveer 80 of 90 wersten vóór Kazan hadden wij eene nieuwe ontmoeting: een man van honderd en dertig jaar. Zijn zoon telde meer dan tachtig jaar en scheen niet ouder van vijftig. Hij had een groot aantal kleinkinderen en achterklein-

Sluiten