Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet twijfelachtig zijn kon. Ik was daardoor op het toppunt van vreugde. Ik wenschte mij geluk, dat zij zich zoo gehaast had mij te hulp te komen. Zou men het kunnen gelooven, dat dit plan, eerst alleen in de verbeelding bestaande, later het voorwerp van ernstige overwegingen werd, die op niets minder dan eene werkelijke uitvoering zouden uitloopen.

Te midden van al deze droomerijen bereikten wij zonder ongeval de stad Perm. De raadsheer had daar geen enkele kennis, tot wien hij ons leiden kon. De vrees voor eene nieuwe vlucht begon bij hem van lieverlede te wijken. Wij namen onzen intrek bij een horlogemaker, die een soort van herberg hield. Perm is eene akelige stad, doch bij den horlogemaker Rosemberg waren wij goed besteed. Deze man was eertijds in dienst geweest bij Prins Biron, die verbannen werd. De raadsheer, die mij dikwijls met hem alleen liet, had bij het uitgaan vergeten mijn koffertje te sluiten. Ik maakte van deze omstandigheid gebruik om van het mij nog overige geld 100 roebels af te zonderen, en ik verborg die zorgvuldig, alsof ik voorzien had, dat onze geleider een laatsten aanval op mijne beurs zou wagen. Inderdaad, een uur nadat ik deze voorzorg genomen had, vroeg hij mij geld. Ik weigerde het hem vlak af, waarover hij zeer ontevreden was; hij liet zich een menigte scheldwoorden ontsnappen en eindigde met mij te bedreigen, dat hij zeer nadeelige rapporten over mij zou uitbrengen.

De vrees, dat hij zich op die wijze zou wreken, noodzaakte mij toe te geven; doch ik zeide hem, toen mijn koffertje geopend werd: „Zie, er blijven mij maar honderd en tien roebels meer over; het is wel weinig voor een man, die duizend behoeften heeft in een vreemd land en die geen andere bron van inkomsten meer hebben zal, totdat hij naar zijn land geschreven heeft. Ik wil evenwel nog met u deelen, wat mij overblijft, doch het is voor de laatste maal, ziedaar 50 roebels; ik kan u niet meer geven; maak tegen mij een rapport op, zooals gij verkiest; van mijnen kant zal ik te gelegener tijd ook mijne klachten eens indienen, en dan zullen wij zien, wie onzer in het ongelijk gesteld wordt." Deze laatste woorden schenen hem uitermate te mishagen en zelfs beschaamd te maken, doch hij nam niettemin mijne 50 roebels aan. Ik had door hem zoo koeltjes toe te

Sluiten