Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XX.

Een Onweder.

Aankomst aan de grenzen van Siberië.

rtsggwjp een avond toen wij te Perm waren, zagen wij een *8®! hevig onweer uitbarsten. Op het oogenblik, dat men ËÉiilÉg van paarden verwisselde, rommelde de donder zoo geweldig, werden de slagen zoo menigvuldig en onrustbarend, dat ik den raadsheer verzocht met het vertrek te wachten, tot het onweer voorbij was. Hoe billijk dit verzoek ook was, hij weigerde. Ik smeekte hem slechts een half uurtje op de plaats te blijven vertoeven, doch hij bleef er op staan, dat wij vertrekken zouden. Nog stelde ik hem het gevaar voor, waaraan wij blootstonden, eerstens, wijl wij verplicht waren een woud door te trekken, tweedens wijl ons rijtuig met eene groote hoeveelheid ijzer gedekt was, dat gemakkelijk den bliksem kon aantrekken: hij begon te lachen en antwoordde, dat dit alles kinderpraat was. Tevergeefs verzekerde ik hem, dat ieder reiziger, die door een onweder overvallen werd, de voorzorg nemen zou uit het rijtuig te stijgen en zich zelfs in het open veld zou ophouden liever dan den weg te vervolgen; hij lachte nog meer en zeide mij, dat ik een kind was, door aan dergelijke zaken geloof te slaan. Ik had mij op hem niet boos moeten maken, doch kon mij moeilijk inhouden. In plaats van nog langer aan te dringen om het einde van het onweer af te wachten, sprong ik in mijn rijtuig en riep uit: „Indien de bliksem op mij valt, heb ik minder te verliezen dan gij."

1

Sluiten