Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III. Bannelingen te Tobolsk.

et scheen mij toe, dat de raadsheer een weinig belangrijk persoon zijn moest, want hij ontving des gouverneurs bevelen met de grootste onderdanigheid en

kruipende beleefdheid.

Zoodra wij buiten de woning van den Heer Von Kuschelef waren, vroeg hij mij, of ik te Tobolsk zou blijven wonen. „Neen/' antwoordde ik hem kortaf, op een toon, waaruit hij gemakkelijk mijne ontevredenheid van door hem bedrogen te zijn, kon gissen. Voor den koerier was ik meer openhartig; ik vertelde hem, dat de gouverneur mij zijn gelukwenschen had geboden als zijnde de letterkundige, waarvan hij zoo dikwijls met lof had hooren spreken en wiens werken hij gelezen had. Aanstonds riep de raadsheer uit: „Hij wilde van mij weten, of gij een bloedverwant van den schrijver waart, doch ik kon zijne nieuwsgierigheid niet voldoen." Ik glimlachte bij dezen uitroep. De verbazing van mijne reisgezellen steeg ten top, toen zij bemerkten, dat vele personen in Tobolsk mij groetten, de hand drukten en met eerbewijzen overlaadden. In werkelijkheid stond ik zelf ook verwonderd in zulk een verwijderden hoek der aarde zooveel menschen, die mij kenden, aan te treffen en zelfs vrienden, wien mijn lot belang inboezemde. Doch ik moet mijn geschiedenis niet onderbreken.

De politie toonde ons het kwartier, waar ongelukkige ballingen van rang bij hunne aankomst hun intrek moeten nemen.

Sluiten