is toegevoegd aan uw favorieten.

De banneling

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een man reeds op jaren; nu werd mij een tweede, een jongere toegevoegd. Mijn grijze bediende was een beste man, hij had mij in niets gehinderd, want hij bracht bijna den ganschen dag al slapende door; ik vreesde terecht, dat de nieuwe strenger zoude zijn, doch tot mijn genoegen bedroog ik mij; beiden wedijverden om mij van dienst te zijn; zij hielden mijne woning goed in orde, bezorgden mij een goeden maaltijd, deden mijne boodschappen, maar waakten er zorgvuldig voor, dat niemand dan de geneesheer binnentrad; als ik uitging, werd ik door een van beiden vergezeld. Ik kon hun om deze handelwijze niet lastig vallen; zij volbrachten hetgeen hun opgelegd was. Al spoedig bemerkte ik, dat hun vooral bevolen was te waken, dat ik met niemand sprak en vooral dat ik geen vreemd huis binnenging. Deze goede lieden toonden zich zeer inschikkelijk; zij beklaagden zich nooit over de lange wandelingen, die ik in of buiten de stad wilde maken. Ik vond mij evenwel niet weinig gedwarsboomd, dewijl ik niet meer mocht omgaan met mijne vrienden in de stad; ik moest daarom tot eene list mijne toevlucht nemen; mijn verstandige bediende hielp mij met verwonderlijke behendigheid. Ik sprak met mijne kennissen af elkaar op de markt in gesloten winkels te ontmoeten; en daar, juist doende alsof wij iets wilden koopen, vonden wij het middel om eenige woorden met elkaar te wisselen. Ik mocht mij op de bescheidenheid der kooplieden verlaten. Reeds meermalen had ik opgemerkt, dat het ongeluk, een banneling in Siberië te zijn, rechten gaf op de algemeene achting en ieders hulp en bijstand. Verscheidene kooplieden, welke ik voor de eerste maal ontmoette, stelden mij in 't geheim voor, terwijl ik hun winkel \ oorbijging, dat zij zich gaarne zouden belasten met de verzending van een brief voor mijne familie. Verlaat u op mij, zeiden ze, ik verklaar u, dat ik u niet zal verraden, en dat uw brief nauwkeurig aan zijn adres zal bezorgd worden."

Deze voorstellen schenen mij zooveel te aannemelijker, dewijl zij zoo belangloos gedaan werden. Ik herhaal het, de meeste bannelingen werden met onderscheiding, met welwillendheid behandeld, omdat men hen als Xeschschastii, ongelukkigen, beschouwde. Gaat er een hunner over de straat, dan roept