Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XI.

Gunsten, waarmede Paul I mij overlaadde.

p|jg^Ien 13 Augustus ontving ik het afschrift eener ukase, i waarin de keizer mij een domeingoed der kroon afstond jfefaaml te Worrokull, gelegen in Lijfland.

Men telt in die nlaats MWrPVPPT Vl'^r Hlli^onrl • «rii

X "O * w v*viiuvii« y TT IJ

zouden er eene geriefelijke woning vinden en alles wat we konden begeeren: de jaarlijksche rente bedroeg 4000 roebels.

Dit geschenk was den keizer waardig en werd terzelfdertijd het zekere onderpand mijner onschuld.

Ik zou op dit tijdstip gaarne een reis in Duitschland gemaakt hebben, doch verscheidene vrienden, daartoe grondige redenen voorwendende, rieden mij aan geen verlof te vragen. Ik volgde hun raad, omdat zij den keizer beter kenden dan ik. Toen kondigde ik in mijn brief van dankbetuiging, den vorst niets anders aan, dan dat ik voornemens was naar mijn buitenplaats te gaan, om er den vrede te smaken en de weldaden van zijne Majesteit te genieten.

Deze brief had een uitwerksel, dat ik niet had durven verwachten. Den volgenden dag ontving ik door tusschenkomst van den raadsheer Briskorn, secretaris van den keizer, een schrijven van den volgenden inhoud :

„Mijnheer: Toen ik het genoegen had zijne keizerlijke Majesteit uw brief van dankbetuiging voor te lezen, ontving ik van haar het bevel eene ukase uit te vaardigen, welke U tot directeur van het Duitsch theater aanstelt, met den titel van raadsheer van het hof en een traktement van 1200 roebels ;

Sluiten