Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin de tegenwoordige opvatting verschilt van de klassieke.

Ik zal daarbij beginnen met het meesterwerk, waarin, volgens de uitspraak van de hoogste autoriteit op dit gebied, de kiem van de geheele latere ontwikkeling ligt opgesloten, de beide in 1877 verschenen verhandelingen van GEORGE WlLLlAM HlLL over de theorie van de maan. Hill's naaste doel is het berekenen van den hoofdterm van de beweging van het perigaeum, en hij slaagt er in dien te bepalen tot op 15 decimalen: eene groote overwinning op de oude theorie, die met onvergelijkelijk veel meer moeite eene waarde had bepaald, waarvan reeds de zesde decimaal foutief was. Maar het voornaamste in Hill's werk is niet dit schitterend resultaat, doch de manier waarop het bereikt werd. Ik kan niet nalaten hierop iets dieper in te gaan. In plaats van, zooals de klassieke methode deed, van de Keplersche beweging uit te gaan, dus van het probleem der twee lichamen (aarde en maan), en de storingen teweeggebracht door de aanwezigheid van een derde lichaam (de zon) te berekenen, gaat Hill uit van een vereenvoudigd c/r/e-lichamen-probleem — een hypothetische aarde , maan en zon , wier elementen eenigszins afwijken van de ware, maar zoo gekozen zijn, dat het probleem oplosbaar is. Dit vereenvoudigde drie-lichamen-probleem lost hij streng op, zonder iets te verwaarloozen. Later moeten dan de correcties berekend worden, die aan deze oplossing moeien worden toegevoegd om rekening te houden met de kleine verschillen tusschen de ware elementen en die,, welke in het vereenvoudigde probleem waren aangenomen. Dit gedeelte van het werk is door Brown volbracht.

Sluiten