Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeer geachte toehoorders ex toehoorderessen !

Toen ik, nu ruim zeventien jaren geleden, mijn ambt als hoogleeraar te Groningen aanvaardde met het houden eener redevoering in de groote gehoorzaal der Universiteit, had ik daarvoor een onderwerp gekozen, dat mij reeds langen tijd veel belang had ingeboezemd; ik bedoel de vraag, in hoeverre in het burgerlijk proces de partijen en de rechter behooren te worden vrijgelaten in het aanvoeren en apprecieeren van bewijsmiddelen, dan wel door dwingende rechtsvoorschriften daarin behooren te worden beperkt. Gedurende mijne twintigjarige civiele practijk voor de Amsterdamsche rechtscolleges was ik ruimschoots in de gelegenheid geweest, kennis te maken met de ongewenschte practiselie gevolgen van dergelijke beperkingen, zooals onze wetgeving omtrent het bewijs in burgerlijke zaken ze in niet gering aantal bevat. En aangezien ook de argumenten van theoretischen aard, waarmede men die beperkingen pleegt of althans placht te verdedigen, mij voorkwamen den toets der critiek geenszins te kunnen doorstaan, was ik tot de slotsom gekomen, die ook thans nog volkomen mijne overtuiging uitdrukt, dat met het geheele stelsel onzer wet, met de geheele dooi- haar gehuldigde formeele bewijstheorie behoort te worden gebroken; dat aan partijen en rechter bij het aanvoeren en waardeeren der bewijsmiddelen de meest mogelijke vrijheid behoort te worden gelaten.

Sluiten