Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het Burgerlijk Wetboek, d. av. z. van die bepalingen van burgerlijk recht, die op het bewijs betrekking hebben. En alzoo geschiedde. Op grond van de "wenschelijkheid eener algeheele herziening van de voorschriften betreffende het bewijs in burgerlijke zaken eenerzijds, en van de overweging dat de voorbereiding dier herziening binnen een niet lang tijdsverloop tot stand kon worden gebracht anderzijds, besloot de Regeering tot het in het leven roepen eener nieuwe Commissie, aan wie die meer beperkte opdracht werd verstrekt. De benoeming geschiedde bij hetzelfde Kon. Besluit van 1899, waarbij de vorige Commissie werd ontbonden; terwijl als leden werden aangewezen de Heeren Mr. P. R. Feith, raadsheer in den Hoogen Raad, tevens Voorzitter, Mr. A. P. Th. Eyssel , raadsheer in den Hoogen Raad, Mr. J. P. Moltzeb, lid van den Raad van State, Mr. A. F. K. Hahtogh, lid van de Tweede Kamer der StatenGeneraal en advocaat en Jhr. Mr. W. H. de Savokxix Lohmax, rechter in de Arrondissements-Rechtbank te 's-Gravenhage.

De verwachting der Regeering, dat de voorbereiding der herziening geen al te langen tijd zou behoeven te vorderen, werd volkomen vervuld. Reeds in September 1901 bood de Commissie — die inmiddels twee harer leden had verloren door het aan Mr. Moltzer om gezondheidsredenen verleend ontslag en het overlijden van Mr. Hahtogh — aan Hare Majesteit de Koningin haar ontwerp met bijgevoegde Memorie van Toelichting aan. En het is dit ontwerp, dat den grondslag uitmaakt van het thans bij de Staten-Generaal aanhangig Regeerings-ontwerp. »Van dit wetsontwerp", zoo lezen wij in de Memorie van Toelichting van den Minister Loeff, »zooals >het hier wordt aangeboden, kan gezegd worden dat het, in >zijn geheel genomen, is het werk der bovengenoemde Staatscommissie." Alleen op een hoofdpunt week het oorspronkelijk Regeerings-ontwerp van dat der Commissie af, te weten ten aanzien der eedsquaestie. De Commissie wilde nl. wel den

Sluiten