Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En ook de Memorie van Toelichting geeft voor verreweg het grootste gedeelte woordelijk die der Commissie weder. Behalve daar, waar afwijkingen in het ontwerp wijziging noodzakelijk maakten, heeft de Minister, zooals liij in zijne Memorie mededeelt, de toelichting der Staatscommissie gemaakt tot >die der Regeering, ook daar, waar, indien deze Memorie uit zijne pen ware gevloeid, eene van de argumenteering der Staatscommissie in meerdere of mindere mate afwijkende >redeneering toch tot dezelfde conclusie zoude hebben geleid." Wanneer ik dus in liet vervolg de Memorie van Toelichting aanhaal, is dit formeel die der Regeering, maar in het wezen der zaak die der Commissie.

De strekking van het ontwerp, wij zagen het reeds, is in de eerste plaats het geven van grootere vrijheid aan partijen en aan den rechter in het aanvoeren en aannemen van bewijsmiddelen. En voor een ieder, die ook maar eenigszins niet ons bewijsrecht bekend is, is het duidelijk, dat hierbij vooral gedoeld wordt op het getuigenbewijs. Onze wetgever stelt op den voorgrond wat de Memorie van Toelichting noemt het schoone beginsel van art. 1932 B. W.: Het bewijs door getuigen wordt toegelaten in alle die gevallen, waarin hetzelve niet door de wet wordt uitgesloten." Let men op dit artikel alleen, dan heeft het den schijn of het getuigenbewijs bij ons in zeer algemeenen zin is toegelaten; maar de uitzonderingen, waarnaar art. 1932 verwijst, zijn zoo belangrijk, dat de wetgever voor een goed deel, wat hij met de eene hand gegeven had, met de andere weer terugneemt.

Al dadelijk bevat art. 1933 deze bepaling: »I)it bewijs wordt niet toegelaten om het aanwezen aan te toonen van eenige akte of overeenkomst, welke hetzij eene verbindtenis, hetzij eene ontheffing van schuld bevat, wanneer het onderwerp de som of de waarde van driehonderd gulden te boven gaat.

Sluiten