Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de beoordeel ing van dit wetsvoorschrift houde men wèl in het oog, dat ook een mondeling aangegane overeenkomst, tot welk bedrag ook, volgens ons recht volkomen rechtsgeldig is. Hij die uit kracht van zoodanige overeenkomst geld of iets anders van iemand te vorderen heeft, heeft alzoo een wel gefundeerde vordering; door den schuldeiseher, zoodra er geen schriftelijk bewijsstuk aanwezig is, liet in den regel eenig mogelijke bewijs af te snijden, doet onze Wet hem een onmiskenbaar onrecht aan. Ik zeg, het in den regel eenig mogelijke; want ook op vermoedens, waarmede men zich anders wellicht zou kunnen behelpen, mag de rechter alleen acht slaan in die gevallen, waarin ook het bewijs door getuigen toelaatbaar is; en wanneer dus de schuldenaar de overeenkomst gelieft te ontkennen, schiet er niets anders over dan hem den beslissenden eed op te dragen. En hoe men nu ook in het algemeen over den eed moge denken, dat de beslissende gerechtelijke eed niet tot de meest betrouwbare eeden behoort, zal wel door ieder die ooit over de vraag heeft gedacht worden toegegeven. De plaats tusschen de beurs en het geweten is altijd een zeer gevaarlijke plaats; en dat in het conflict tusschen beide niet altijd het geweten de overhand behoudt, leert geloof ik de practijk in ruim voldoende mate.

De bedoelde bepaling, in ons oud-vaderlandsch recht, even als thans nog in Duitschland, onbekend, is van Fransehen oorsprong en door ons bij de invoering onzer wetgeving in 1838 uit den Code Napoleon overgenomen. Zij is ingevoerd door den Franschen koning Karei IX bij de bekende Ordonnance de Moulins van 1066, en had oorspronkelijk een tweeledig doei: het beperken van het aantal processen, en het voorkomen van omkooping der getuigen. Geen dezer beide motieven intusschen schijnt voldoende om de besproken bepaling te rechtvaardigen, hoe lofwaardig ook het doei moge zijn. Zeker, het is wenschelijk dat er zoo weinig mogelijk processen

Sluiten